Gefeliciteerd Hilde Peters met de verkiezing van prentenboek van het jaar 2027 voor “Kom maar, kipjes!”.
Dank voor de felicitaties! Het is zo’n eer, geweldig om mee te maken. Dat juist “Kom maar, kipjes!” is verkozen tot Prentenboek van het Jaar 2027 voelt heel bijzonder. Het is mijn debuut! Het begon met onze eigen kippen in de tuin. Nu wordt het door zoveel kinderen gelezen, dat is een droom.
Kun je wat vertellen over het prentenboek?
Dit boek gaat over Klaartje. Zij heeft tien witte kippen in de tuin en haar papa heeft een geitje. Klaartje is dol op haar kipjes. Als er een flinke storm op komst is, krijgt ze medelijden met ze en besluit ze haar kipjes stiekem het huis binnen te smokkelen. Binnen is het heel gezellig, maar papa mag natuurlijk niets ontdekken. Terwijl Klaartje met haar kipjes door het huis sluipt, blijkt dat papa óók iets te verbergen heeft…
“Kom maar, kipjes!” is een prentenboek op rijm, vol humor, zoekplaten en telopdrachten. Er valt steeds weer iets nieuws te ontdekken.
Hoe is het tot stand gekomen?
Het idee voor dit boek ontstond tijdens mijn opleiding aan Venster Academy. Daar werkte ik, samen met geweldige docenten en klasgenoten, aan mijn eigen verhalen en illustraties.
Ik hoefde voor een verhaalidee niet ver te zoeken. Wij hebben namelijk kippen in de tuin, en als de achterdeur even openstaat, wandelen ze het liefst naar binnen. Ze nestelen zich in onze luie stoel of snoepen van de kattenbrokjes. Heel ondeugend, maar ook zo grappig dat ik dacht: hier zit een verhaal in.
Tijdens de afstudeerexpositie in het Kinderboekenmuseum in Den Haag kon ik de eerste platen en een dummy laten zien. Daar werd “Kom maar, kipjes!” opgepikt door Uitgeverij Leopold en mocht ik het boek echt gaan maken.

Staan er leuke activiteiten gepland tijdens De Nationale Voorleesdagen?
Er gebeurt de komende tijd van alles rond mijn boek. Dat is ontzettend bijzonder om mee te maken. Er komen voorstellingen, een liedje, versier-je-klaspakketten, inpakpapier en tasjes. En misschien wel het allerleukste: een klein wit kipje als voorleesknuffeltje bij het boek.
De Nationale Voorleesdagen worden traditiegetrouw geopend met het Nationale Voorleesontbijt. Dan wordt “Kom maar, kipjes!” op heel veel locaties door bekende Nederlanders voorgelezen.
Zelf ga ik vóór en tijdens de Voorleesdagen veel op pad via De Schrijvers Centrale. Ik geef lezingen en workshops op scholen en in bibliotheken. Dat vind ik erg leuk om te doen: leerkrachten, pedagogisch medewerkers en kinderen inspireren om met mijn boeken aan de slag te gaan.
Waar ik ook heel blij van word, is dat er in bibliotheken een gidsje verkrijgbaar is met vertalingen van “Kom maar, kipjes!” in zes verschillende talen. Zo kan er ook in andere moedertalen worden voorgelezen. Dat vind ik een prachtig initiatief.

Heb je inmiddels aan nieuwe prentenboeken gewerkt?
Het was zo’n feest om “Kom maar, kipjes!” te maken dat ik heel graag verder wilde met Klaartje en haar kipjes. Het leek me geweldig om ze dit keer een school binnen te laten wandelen en daar de boel compleet op stelten te laten zetten…. Het resultaat is het nieuwe prentenboek “Kipjes in de klas” en verschijnt op 19 augustus. Dat is nét voor de start van het nieuwe schooljaar. Ook dit boek is weer een zoek- en telboek op rijm, vol grapjes en kleine details.
Daarnaast ben ik net begonnen aan een Gouden Boekje voor Uitgeverij Rubinstein, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van Almere. En op de achtergrond pruttelen er alweer nieuwe kipjesverhalen.
Hoe ga je te werk bij maken van een prentenboek?
Mijn inspiratie haal ik vooral uit het dagelijks leven. Ik kijk graag naar hoe dingen normaal gesproken gaan en vraag me dan af: wat gebeurt er als het nét even anders loopt? Of als ik iets onverwachts toevoeg? Ik observeer veel en blijf graag dicht bij de werkelijkheid. Juist daardoor voelt een klein beetje gekkigheid extra verrassend. Mijn eigen gezin en alles wat daarin gebeurt, leveren me vaak nieuwe ideeën op.

Alles begint met een klein idee. Ik ben een echte “sudderaar”. Aan het begin van een nieuw boek lijkt het soms alsof ik weinig doe, maar in mijn hoofd ben ik juist ontzettend druk. Ik broed op personages, scènes en woorden, totdat ik ineens voel: ja, dit is het. Dan begin ik te schetsen.

Vervolgens verdeel ik het verhaal over twaalf spreads en maak ik kleine versies van het boek: dummy’s. Zo kan ik het verhaal echt doorbladeren en voelen of het ritme klopt.
Daarna werk ik de schetsen uit op het uiteindelijke formaat. Dan begint een proces van schuiven, aanpassen, opnieuw proberen en weer verder schaven. Pas als alle schetsen precies goed voelen, begin ik aan de definitieve illustraties.

Vanaf dat moment kan ik helemaal verdwijnen in het maken. Er zijn dagen waarop alles lijkt te kloppen en de wereld van het verhaal als vanzelf op papier ontstaat. Dan vergeet ik de tijd en werk ik uren achter elkaar door.

Heb je favoriete materialen om mee te werken?
Ik werk graag in lagen. Meestal begin ik met ecoline, en werk dan verder met gouache en kleurpotlood. Ik werk volledig analoog. Dat vind ik prettig, omdat ik alle oplossingen echt op papier moet vinden. Ik vind het mooi dat je de verfstreken en potloodlijnen terug blijft zien; dat geeft mijn illustraties iets warms en levendigs.
En hoe gaat het schrijfproces?
Bij mij ontstaan de illustraties meestal eerder dan de tekst. Terwijl ik de beelden maak, fladderen er zinnen door mijn hoofd die ik meteen opschrijf. Ik schrijf graag op rijm. Dat leest fijn voor en het doet ook veel voor de taalontwikkeling van kinderen. Soms komen de rijmregels bijna vanzelf, maar soms is het ook flink puzzelen. Dan helpt het enorm om alles hardop voor te lezen aan mijn dochters.
Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut en nu?
Kom maar, kipjes! was mijn debuut, dus ik sta eigenlijk nog maar aan het begin. Voor Kipjes in de klas heb ik met dezelfde materialen gewerkt, maar ik merkte wel dat ik met meer vertrouwen ben gaan tekenen. Ik durf sneller keuzes te maken. Voorlopig voelt dit werkproces nog helemaal goed.

Wat zijn echte leermomenten geweest?
Dat het heel fijn is om je eigen manier van werken te kennen. Zoals ik hierboven al omschreef moet een verhaalidee, maar ook illustraties, bij mij soms weken in mijn hoofd rijpen voordat ik weet wat de beste vorm is. Aan het begin van een project lijkt het soms alsof ik nauwelijks iets doe. Ik zit vooral te denken, te kijken en te mijmeren. In het begin vond ik dat best lastig. Ik had het gevoel dat ik productiever moest zijn. Inmiddels weet ik dat dit gewoon mijn manier van werken is.
Een ander belangrijk inzicht is dat beeld en tekst elkaar in een prentenboek moeten aanvullen. “Kom maar, kipjes!” begon ooit bijna als een woordeloos boek; de illustraties vertelden het verhaal. In overleg met de uitgever heb ik er uiteindelijk een voorleestekst bij geschreven en dat maakte het boek compleet.
Ik vind het belangrijk dat beeld en tekst elkaar niet herhalen. Wat je al kunt zien, hoef ik niet nog eens te vertellen. Juist de samenwerking tussen woorden en illustraties maakt een prentenboek sterk.
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken?
Er is zoveel moois! Maar een prentenboek dat mij altijd blijft inspireren is “Wat zullen ze blij zijn” van Peter Spier. Het wordt helaas niet meer uitgegeven, ik heb een heel oud exemplaar. Het gaat over drie kinderen die alleen thuis zijn en besluiten de buitenkant van het huis op te knappen met restjes verf uit de garage. Dat loopt natuurlijk volledig uit de hand en het wordt een kleurrijke bende, waarin ontzettend veel te ontdekken valt. Wat ik vooral mooi vind, is dat je als lezer nooit te zien krijgt hoe de ouders reageren. Je ziet alleen de kinderen die trots zijn op hun werk. En dat is eigenlijk genoeg.
Ook de woordeloze prentenboeken van Mariachiara Di Giorgio vind ik geweldig, zoals “Overdag is hij een krokodil” en “Kermis in de nacht”. Haar boeken zitten vol details, verborgen grapjes en prachtige illustraties. Je blijft erin kijken.
Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers en illustratoren?
Blijf vooral veel maken. Durf te experimenteren en wees niet bang als iets mislukt; daar leer je vaak het meeste van. Volg een goede cursus of opleiding als je daar de kans voor krijgt. Zo is de opleiding Beeldverhaal bij Venster Academy onnoemelijk belangrijk voor mij geweest. Het is zo waardevol om begeleiding te krijgen, feedback te ontvangen en met andere makers te sparren. Je leert niet alleen veel, maar bouwt ook een netwerk op van mensen die allemaal enthousiast zijn over (prenten)boeken maken
En misschien wel de belangrijkste tip: maak een boek dat je zelf als kind eindeloos had willen bekijken. Als jij tijdens het tekenen zelf zit te grinniken om een grapje of blijft genieten van alle details, is de kans groot dat kinderen dat ook doen.
Wil je meer weten over Hilde Peters en haar werk als illustrator en auteur van prentenboeken? Bezoek dan haar eigen website!









