Tagarchief: illustrator

Interview Noëlle Smit

Dag Noëlle Smit, welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?
Noëlle Smit
Noëlle Smit

Ik kan wel zeggen dat het de hoofdmoot is van al mijn werk door de jaren heen. Waarom? Ik heb geen idee. Terwijl ik het heerlijk vind om losse verhalen, versjes, liedjes en gedichten te voorzien van tekeningen.

Ik vind het fijn werken om telkens weer een nieuwe scene te bedenken, een nieuw uitgangspunt, een ander ‘grondplan’ neerleggen met andere personages in de hoofdrol.

Maar het overgrote gedeelte van mijn werk bestaat uit prentenboeken waarin het gekozen concept leidend is en doorgezet wordt doorheen het hele boek. Het is gewoon zo gelopen denk ik.

Je illustreert ook de boeken van Annie M.G. Schmidt. Dat lijkt me een grote uitdaging?

Het is altijd leuk om weer een verhaal, versje of gedicht van Annie M.G.Schmidt te mogen illustreren. De eerste keer dat ik gevraagd werd, vond ik het heel erg spannend. Het waren de liedjes die ze samen maakte met Harry Bannink. De opdracht kwam van het Concertgebouw in samenwerking met een uitgever. Dan ligt er wel iets op je schouders en dat kan verlammend werken. Maar de teksten zijn zo geweldig, speels en soms vinnig dat de ideeën voor de tekeningen al snel kwamen.  Ik kon de illustraties die er al waren vergeten en mijn eigen pad maken.

Hoe ga je te werk bij het illustreren van een prentenboek?

Het begint met een eigen idee of een aangeleverd manuscript. En ieder idee of verhaal verlangt een andere oplossing. Bijvoorbeeld, toen ik het manuscript van “Vuilnisvarkens Job & Bob” kreeg van Tjibbe Veldkamp  ben ik eerst de karakters vorm gaan geven. Die dragen het verhaal. Daarna zijn de uitgever en ik gaan bedenken waar het verhaal zich af moest gaan spelen. In de stad of op een dorp? Daarna deed het probleem zich voor dat wanneer de prenten het verhaal volgde, de tekeningen nogal vol werden. Je hebt namelijk de karakters, de omgeving, de actie en reactie die het verhaal vormen en al het vuilnis dat telkens in en uit de wagen wordt gekiept.

Het verhaal moest helder blijven. Je tekent ten slotte voor kleine kinderen die het moeten kunnen volgen. Zo is de stijl ontstaan zoals die nu is. Een lineaire achtergrond. De stad als lijntekening met daarop alles wat het verhaal ‘draagt’. Dus de figuren, vuilniskar e.d. rijk geïllustreerd. Nu wordt het afval de hoofdzaak en het eerste wat je ziet en waarop je let. De stad is een bijfiguur geworden. In dit geval zijn de lijnen met pen en inkt getekend. De rest is met gouache uitgewerkt. Zo is deze vorm dus heel organisch ontstaan.

Illustraties uit Vuilnisvarkens Job en Bob, Noëlle Smit, Tjibbe Veldkamp (auteur), Gottmer, 2020
Illustraties uit Vuilnisvarkens Job en Bob, Noëlle Smit, Tjibbe Veldkamp (auteur), Gottmer, 2020

Bij “De eekhoorn legt een ei en andere fabels” van Janneke Schotveld was het fijn werken omdat iedere prent een nieuwe set karakters liet zien. En het gaat om fabels, waarbij je toch de ‘clou’ een beetje wilt laten zien in de prent. Of de sfeer wil laten doorschemeren waarop de fabel reflecteert. Dit is mijn favoriete manier van werken. Telkens opnieuw een wit vel met allerlei mogelijkheden. En ik begin dan gewoon. Eerst het dier of dieren en daarna de compositie. Ik wil dat het een interessant beeld oplevert.

In het geval van de illustratie van de vos en de kraai zat het formaat van de dieren me erg in de weg. De kraai is veel kleiner in verhouding tot de vos. Daarom heb ik het kijkpunt van bovenaf gemaakt. Daardoor kon ik veel beter spelen met de dieren onderling. Ook is daardoor het stukje kaas duidelijker in beeld. Daarna is het zoeken naar de compositie en kleuren. Door mezelf een beperkt kleurenpalet op te leggen blijft de illustratie duidelijk en helder. De overlapping van de takken zorgt voor het perspectief en de schaduw op de grond en op de vos maakt het nog duidelijker. En door de bloesem in de bomen in een geeltoon te houden spelen de dieren de hoofdrol. De voorgaande prenten leken mij een te ‘zwaar’ bladerdek en bloesem hebben.

Van schets naar illustratie uit "De eekhoorn legt een ei en andere fabels" - Noëlle Smit - 2021
Van schets naar illustratie uit “De eekhoorn legt een ei en andere fabels” – Noëlle Smit – 2021
Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut en nu?

Ik ben sinds mijn debuut efficiënter geworden tijdens het maken van een boek. Voorheen maakte ik nooit schetsen. Wel bedacht ik op losse papiertjes en schriftjes het verloop van de prenten en wat ik ongeveer wilde laten zien. Een soort storyboard, maar niet helemaal tot in detail uitgewerkt. En dan begon ik er gewoon aan! Heel intuïtief maar ook een chaotisch proces.

Dus dan was ik lekker op weg en dan waren er naar verloop van tijd meerdere tekeningen voor één spread. Geen ruimte om het boek dikker te maken. Die 12 spreads, daar moet je het mee doen (als het om een normaal formaat prentenboek gaat).

Nu schets ik eerst alles precies uit zoals ik het hebben wil. Wanneer ik en de redacteur dan tevreden zijn, begin ik pas aan de uitwerking. Dat scheelt een hoop tijd en geeft ook veel meer rust in de uitwerking van een boek.

Wat zijn echte leermomenten?

Leermomenten zijn voor mij vaak de ‘kill your darlings’. Dat je je als tekenaar soms zo blind kan staren op die ene tekening waarvan jij vind dat hij zo goed gelukt is en waarin alles klopt, en die zo mooi in balans is……..Maar die dan net de loop van het verhaal stropt, de vaart wegneemt of een stijlbreuk is. Dan is daar de redacteur of uitgever die dan roept. ‘Die moet eruit!’ En dan denk ik vaak….wat?! Waarom die? Dan zie ik pas, wanneer ik wat meer afstand heb van het werk, hoe gelijk die persoon had. En dat is qua werken heel fijn. Want het vertrouwen werkt twee kanten op. De uitgever/redacteuren laten mij redelijk vrij tijdens het maakproces. En wanneer nodig vertrouw ik volledig op hun kijk en visie.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken?

“Seasons” van John Burningham vind ik een geweldig prentenboek. Het spelen met materialen wat je daarin ziet. Het grove geweld van de verf hier en daar met krassen, spatten en vlekken erin. Hij weet echt de emoties die de seizoenen hebben, vast te pakken. De zon spat bijna het boek uit, zoveel geel heeft die pagina. Dat vind ik knap. Dat je bijna de warmte kan voelen.

Ook hou ik van het werk van Maurice Sendak, Tomi Ungerer. Allemaal heel erg jaren 70! Maar daar hou ik dus heel erg van. Het zijn ook de tekenaars waarnaar ik keek toen ik zelf startte met het illustreren van verhalen.

Maar ik hou bijvoorbeeld ook van nieuwer werk van Mari Kanstad Johnsen. Het vloeiende, schetsmatige en niet helemaal tot in de puntjes gedefinieerde spreekt me erg aan. Met daarbij de ‘stotende’ kleuren. Bijna naïef, bijna een soort kleurplaat, maar dat is het dus verre van. Heel mooi!

En ik hou ook van de nieuwe Tsjechische tekenaars. Heel folkloristisch en nostalgisch qua stijl en toch van nu. Het werk van Chrudos Valousek vind ik prachtig.

Het ligt ook een beetje aan de fase waar ik op dat moment zelf inzit, wat aan me blijft ‘haken’.

illustratie uit "Aan zee", Noëlle Smit, 2021
illustratie uit “Aan zee”, Noëlle Smit, 2021
Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek?

Ik heb momenteel net “Aan zee” afgerond. Het derde deel van mijn eigen serie prentenboeken, uitgegeven door Querido. De opvolger van “Naar de markt” en “In de tuin”. De tekeningen liggen nu bij de lithograaf en vormgever. Deze serie ligt mij dicht aan het hart. Deze boeken gaan een beetje over mij.

Ik heb momenteel nog geen ideeën voor een vierde deel en wellicht blijft het bij deze drie? Maar wie weet?

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren?

Geen verdere tips van mijn kant…Ik ben vaak zelf nog teveel aan het ‘zoeken’ in mijn  werk. En ben nog steeds te kritisch wanneer ik een boek, net vers van de pers, in mijn handen heb.

Illustreren is gewoon een vak en hoe vaker je het doet, hoe beter je wordt. Een stijltje wordt op den duur een ‘kunstje’. Trap daar niet in. Ga op zoek naar je eigen ‘beeldtaal’. En dat kost tijd en moeite.

Wil je meer weten over Noëlle Smit en haar werk als illustrator, kijk dan ook eens op haar eigen website.

Interview Mylo Freeman

Dag Mylo Freeman, welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Prentenboeken vormen de hoofdmoot van mijn werk. Voor mij is het beeld erg belangrijk. Ook het werken voor kleuters vind ik ontzettend leuk. Zonder de illustraties zou ik geen boeken maken! Wel werk ik tegenwoordig ook voor een oudere doelgroep met boeken zoals ‘Over Dames en Tassen’, maar hierin zijn ook de illustraties heel belangrijk.

Kinderen hebben behoefte aan zowel spiegels als ramen. Veel gekleurde kinderen zien de wereld alleen via ramen en zij hebben spiegels nodig. Andere kinderen zien alleen spiegels en zij moeten de wereld ook door ramen leren zien.

Mylo Freeman
Mylo Freeman
Belangrijke thema’s binnen jouw prentenboeken zijn diversiteit en inclusiviteit. Merk je de afgelopen jaren een verbetering rondom deze thema’s of is er nog veel werk aan de winkel?

Diversiteit en inclusiviteit zijn sinds zo’n 15 jaar, zolang ik met prinses Arabella ben begonnen erg belangrijk. Ik zie de laatste jaren gelukkig steeds meer boeken verschijnen  waar kinderen van kleur de hoofdrol in spelen. Wat ik wel nog graag zou zien is dat er ook meer makers van kleur bijkomen, dus zowel schrijvers als illustratoren. Blijkbaar heeft dat wat meer tijd nodig, maar ik ben ervan overtuigd dat dat ook komt!

Hoe ga je te werk bij het maken van een prentenboek? Kun je jouw werkproces toelichten?

Alles begint met een idee, dat kan een verhaal zijn dat ik heb gehoord of iets dat ik online heb gezien. Ik schrijf al mijn ideeën meteen op in een schriftje, sommige worden een echt verhaal en bij andere blijft het bij een idee. Maar als ik in mijn hoofd een goed begin en een goed einde heb schrijf ik dat ook op en begin ik meteen te schetsen.

Ik werk altijd met ecoline, vaak in combinatie met bleekwater en zeezout en doe eigenlijk niks met de computer. Het afwerken van de tekeningen gebeurt met pastelkrijt en gel-pennen. Ik mail mijn uitgever mijn plan en wat schetsen en als ze enthousiast zijn ga ik aan het werk. Inmiddels is er wel zoveel vertrouwen dat ik tussendoor niets meer hoef te laten zien , ik lever het in als ik klaar ben.

Qua techniek is er niet veel veranderd, maar ik ben wel veel kritischer geworden op mijn illustraties. Ik begin niet met inkleuren voordat de tekening naar mijn idee perfect erop staat. Een leermoment is wat mij betreft als de schets niet klopt, je het ook niet meer goed krijgt met inkleuren. De schets is echt de basis en die moet helemaal kloppen.

Prinses Arabella - Mylo Freeman
De wording van Prinses Arabella – Mylo Freeman
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

Mijn favoriete prentenboek is ‘Julian is een zeemeermin’ van Jessica Love. Haar illustraties sluiten ook perfect aan bij het verhaal. Een liefdevol boek over een klein jongetje dat graag een zeemeermin wil zijn en zich verkleed met spulletjes van zijn oma..

Ook de illustraties en verhalen van Oliver Jeffers ben ik erg dol op. Grappige onvoorspelbare verhaaltjes met een leuke clou. Ondanks dat hij zijn illustraties met de computer maakt, valt dat helemaal niet op. Het ziet er altijd sprankelend uit!

 Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik ga binnenkort beginnen aan een nieuw Arabella boek.Dat gaat “Prinses Arabella maakt muziek” heten, dus dat spreekt voor zich. Verder wil ik eind dit jaar beginnen met een prentenboek over Rembrandt en een klein zwart meisje die graag wil dat haar vader
geportretteerd wordt door hem. Daar verheug ik me ook op, want dat wordt wel echt een uitdaging!

 Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren?

Een tip voor illustratoren zou zijn ’teken iedere dag!’ en probeer je zo breed mogelijk te ontwikkelen.Zelf had ik vroeger nooit veel zin om een fiets te leren tekenen bijvoorbeeld, maar ik zou je aanraden dat toch te doen! Je weet maar nooit of je het kunt gebruiken voor een opdracht. Voor auteurs zou ik zeggen, hou altijd je ogen en oren open voor een eventueel verhaal. Inspiratie is overal!

Wil je meer weten over Mylo Freeman en haar werk? Neem dan ook eens kijkje op haar eigen website.

Interview Meinderts en Fienieg

Dag Koos en Annette, welke plek hebben prentenboeken in jullie oeuvre?

Koos: Prentenboeken nemen een belangrijke plek in, ook in aantal. Ongemerkt hebben we zo’n tien prentenboeken gemaakt, een aanzienlijk deel van ons oeuvre.

Annette: Meer dan ‘gewone’ boeken,  waar het zwaartepunt op de tekst ligt, zijn prentenboeken van ons samen. Beeld en tekst gaan hand in hand en zijn even belangrijk. Zeker in de prentenboeken met relatief veel tekst zoals De vuurtoren, De man in de wolken en De zee van meneer Max. Voor mij zijn prentenboeken het leukst om te maken, omdat er voor mij ‘meer vlees aan zit’.

Koos Meinderts en Annette Fienieg
Koos Meinderts en Annette Fienieg
Binnenkort verschijnt jullie nieuwste prentenboek Stork. Kunnen jullie wat meer vertellen over dit prentenboek?

Annette: Stork is al een poosje klaar, maar zal pas eind april, begin mei verschijnen, als de boekhandels weer hele dagen open zijn. Hoogland & Van Klaveren heeft dat in overleg met ons besloten. We hadden gehoopt dat het boek er eind februari zou zijn, toen onze kleindochter 1 werd. We hebben het boek aan haar opgedragen. Hoogland & van Klaveren heeft toen, heel lief, gezorgd dat er toch één speciaal exemplaar was!

Koos: Stork zou je een coronaprentenboek kunnen noemen. Sinds het uitbreken van het virus fiets ik bijna dagelijkse een rondje door de polders ten noorden van Utrecht. Het wemelt daar van de ooievaars, soms tel ik er wel tien of twaalf bij elkaar in hetzelfde weiland.

De ooievaars in combinatie met een krantenbericht waarin een geboortegolf voorspeld werd van ‘coronababy’s’ bracht me op het idee van het verhaal. Al fietsend trapte ik de openingszin van Stork omhoog: “Negen maanden na de Grote Ramp toen iedereen verplicht in huis moest blijven kon ooievaarcentrale Eiber & CO het werk niet aan.” Een zin die stond als een huis, maar daarmee had ik nog geen verhaal. Dat verhaal kwam toen ik Stork bedacht, een gepensioneerde, vergeetachtige ooievaar die de centrale een handje komt helpen. Hij krijgt een baby mee, maar weet al heel gauw niet meer bij wie hij de baby moet afleveren. Samen bedachten we bij wie Stork vergeefs aanklopt, en hoe uiteindelijk alles toch op zijn pootjes terecht komt.

Illustratie uit Stork, Annette Fienieg
Illustratie uit “Stork”, Annette Fienieg, 2021, Hoogland & van Klaveren
Hoe gaan jullie te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek. Kunnen jullie het werkproces toelichten?

Annette: Vaak begint het bij een idee voor een verhaal, van mij of van Koos, of van ons beiden. Koos schrijft dat natuurlijk, maar we sparren er dan wel continu over. Af en toe gaat het anders: Het regent zonlicht begon juist bij mij. Ik  maakte een stapel tekeningen die nog nergens bij hoorden. Ik gaf Koos steeds tekeningen zodra ik ze af had, en hij ‘moest’ er dan een gedicht bij schrijven. Dat werkte heel verfrissend, voor allebei. Het is nog steeds een van mijn lievelingsboeken.

Ook gebeurt het wel dat we een opdracht krijgen, zoals het boek De zee van meneer Max, het prentenboek over de schilder Max Lieberman, dat we maakten voor het Kunstmuseum in Den Haag. Dat boek zouden we niet gemaakt hebben als het ons niet was gevraagd. Het idee voor het verhaal hebben we samen verzonnen in de trein terug na de eerste vergadering in het museum.

Spread uit Liebermann De zee van meneer Max
Spread uit “Liebermann, De zee van meneer Max”, Koos Meinderts en Annette Fienieg, Leopold, 2018

Meestal zijn mijn illustraties een combinatie van pentekening en aquarel, soms, zoals bij Naar het noorden, en ook bijvoorbeeld Oliver Twist dat ik niet met Koos maakte, maar met Tiny Fisscher, werk ik met uit gekleurd papier gesneden figuren. In De zee van meneer Max heb ik met acrylverf geschilderd, in de stijl van Liebermann, maar zo dat je mijn ‘handschrift’ er nog in herkent.

Koos: Het werkproces is niet veranderd, we zijn allebei wel beter geworden. Ons eerste prentenboek Is hier de Himalaya was een prentenboek voor kleuters. Onze latere prentenboeken als De vuurtoren en De man in de wolken zijn leeftijdsloze verhalen. Hetzelfde geldt ook voor Stork, jonge kinderen zullen dat op een ander niveau begrijpen als oudere kinderen en volwassenen.

Van schets naar Illustratie, Stork, Annette Fienieg, 2021, Hoogland & van Klaveren
Van schets naar Illustratie, Stork, Annette Fienieg, 2021, Hoogland & van Klaveren
Verschilt het werkproces met het schrijven en illustreren van een ‘gewoon’ kinderboek?

Koos: Bij een ‘gewoon’ kinderboek is er meestal eerst de tekst, daarna gaat het verhaal naar Annette.

Annette: Ik kijk dan hoeveel plek er is voor illustraties, waar die moeten komen en welke techniek het best past bij het verhaal.

Koos:  Annette leest bijna per hoofdstuk mee met wat ik schrijf. Dat wil zeggen: ik lees haar voor wat ik heb geschreven. Het komt ook regelmatig voor dat ze bij een alinea ‘ergens aan blijft hangen’. Die alinea gaat dan nog een keer door de machine, niet omdat zij het zegt, maar omdat zij in (bijna) alle gevallen gelijk heeft dat er iets niet klopt, qua taal of qua inhoud.

Spread uit "Is hier de himalaya?" Meinderts en Fienieg, 1991
Spread uit “Is hier de Himalaya?” Meinderts en Fienieg, 1991, Ploegsma
Hebben jullie zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

Koos: Ik heb geen uitgesproken favoriete illustratoren of schrijvers van prentenboeken. Er is één boek dat me na aan het hart ligt, Frederick, van Leo Lionni, een prentenboek met relatief veel tekst. Ik kreeg het boek in 1983 bij het verschijnen van mijn debuutboek Mooi Meegenomen, cadeau van Lia Reedijk, destijds eigenaar van de Utrechtse Kinderboekwinkel.  Om die reden koester ik het boek, maar zeer zeker ook vanwege het verhaal,  een ode aan de verbeelding in het algemeen en aan poëzie in het bijzonder.

Annette: Ik heb niet echt één favoriete illustrator. Ik houd van het werk van de Duitse illustrator Tilman Michalski, die overigens geen uitgesproken prentenboeken maakt. Zijn illustraties in Das grosse Familienbuch der Feste und Bräuche zijn jaloersmakend mooi.
Maurice Sendak is ook een grootheid, en ik hou ook van het werk van Thé Tjong Khing. Zijn sprookjesboeken, en tekstloze prentenboeken zijn weergaloos.

Zijn jullie momenteel bezig met een nieuw prentenboek?

Koos: In april verschijn bij uitgeverij Ekaré, El rey cerdo met illustraties van Emilio Urberuaga. Het is de Spaanse versie van Koning Varken, een prentenboek dat ik maakte met Stern Nijland. Het boek kreeg amper aandacht en werd al snel verramsjt. Dat was het dan, dacht ik, tot de Ekaré belangstelling toonde voor het verhaal. Helaas niet voor de linosnedes van Stern. Ekaré gaf de voorkeur aan Emilio Urberuaga.

Annette: We willen heel graag weer een prentenboek maken op de manier van Het regent zonlicht. Er ligt al een stapel tekeningen op Koos te wachten! Eerder wilden we al op deze manier een boek maken met portrettekeningen van mij, waarbij Koos korte verhalen zou schrijven. Ik houd erg van portretten, en maak ze graag. Ook fictieve.

Het regent zonlicht, Koos Meiderts en Annette Fienieg, 2010, Lemniscaat
Het regent zonlicht, Koos Meiderts en Annette Fienieg, 2010, Lemniscaat

Het boek is er (nog) niet gekomen, omdat Koos aan een van de portretten die ik maakte bleef hangen, en een heel boek aan de getekende jongen wijdde. Dat werd de roman Mist, die vorig jaar bij Hoogland & Van Klaveren is uitgekomen.

Momenteel zijn we bezig met het verzamelen van prenten (ik maak ook sjabloondrukken) en gedichten van Koos voor een bundel voor volwassenen, waarvan we hopen dat het wordt uit gegeven.

Hebben jullie  tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers en illustratoren (van prentenboeken)?

Annette: Ik heb af en toe atelierbezoek van mensen die illustrator willen worden of zelfs al een idee hebben voor een boek. Mijn belangrijkste tip is altijd goed te kijken in kinderboekenland. Wat vind je mooi, welke uitgever geeft de boeken uit waarmee je je verwant voelt. Bied het daar aan.

Koos: Een schrijver kun je niet worden, een schrijver ben je (of niet). Je kunt in ambachtelijke zin wel wat leren op een schrijfcursus of een schrijversvakschool, maar talent kan niet worden geleerd. Dat heb je of je hebt het niet. Een schrijfcursus kan wel helpen om een sluimerend talent aan te boren.

Wil je meer weten over het werk van Koos Meinderts? Neem dan eens een kijkje op zijn eigen website: https://www.koosmeinderts.nl.

Wil meer weten over het werk van Annette Fienieg? Neem dan eens een kijkje op haar website: https://www.annettefienieg.nl.

Interview Linde Faas

Linde Faas (1985) is een Nederlandse animator en illustrator en studeerde cum laude af aan de kunstacademie van Breda. Linde woont sinds 2017 in het noorden van Noorwegen.  In 2018 verscheen haar prentenboekendebuut “Ik neem je mee”.  Haar tweede prentenboek  “De jongen en de walvis” verscheen in 2019 en staat in de prentenboek top10 van het jaar 2021.

Linde Faas
Linde Faas
Dag Linde, welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Prentenboeken beginnen een steeds belangrijkere plek in te nemen in mijn werk. Sinds ik een aantal jaar geleden mijn eerste prentenboek ‘Ik neem je mee’ maakte, probeer ik steeds meer ruimte te maken om aan prentenboek projecten te werken. Het geeft me een enorm gevoel van vrijheid om mijn eigen verhalen te verzinnen en hier illustraties bij te kunnen maken.

Illustratie uit "de jongen en de walvis", Linde Faas, 2019, Lemniscaat
Illustratie uit “De jongen en de walvis”, Linde Faas, 2019, Lemniscaat
Kun je wat meer vertellen over “De jongen en de walvis”? 

Het idee voor dit boek is ontstaan toen mijn man (die werkt als mariene bioloog) onderzoek deed naar potvissen in Noorwegen en ik af en toe met hem mee mocht op veldwerk. Ik had nog nooit een walvis gezien en was enorm onder de indruk van dat gigantische dier. Hij dobberde daar een beetje en vond het wel prima dat wij daar waren. Totdat hij een duik nam en er een gigantische staart boven water kwam. Je weet echt niet wat je ziet! Ik dacht meteen, hier wil ik iets mee doen.

Ook de Noord Noorse natuur maakte een diepe indruk op me. De kleuren, de weidsheid van het landschap en de stilte. Het gevoel van verwondering en verstilling, wat ik zelf ervoer toen we daar met een bootje op open zee lagen te luisteren naar het ademhalen van de potvis, wilde ik heel graag proberen over te brengen in mijn boek.

Hoe ga je te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek?

Het begint bij mij vaak met een bepaald beeld of een bepaalde sfeer die in me opkomt. Zoals het beeld van een jongen die verlangend naar de zee staat te kijken en het gevoel van eenzaam voelen. Dit was één van de eerste beelden die er in me opkwam voor ‘De jongen en de walvis’.

Meestal begin ik met losse schetsen om de beelden en de sfeer die ik in gedachten heb visueel te maken en mezelf de tijd te geven om het verhaal in mijn hoofd tot leven te laten komen. Ook schrijf ik soms al stukjes tekst. Dit hoeft nog niet de uiteindelijke tekst te zijn die in het boek komt, maar is meer een oefening om de juiste sfeer te vinden en het verhaal duidelijker te krijgen. Dit proces van schetsen en teksten schrijven kan soms best een tijdje duren. Soms heeft het maanden nodig om tot de kern van een idee te komen. Het is belangrijk om die tijd te nemen en het niet teveel te overhaasten.

potloodschets voor “De jongen en de walvis”, Linde Faas
potloodschets voor “De jongen en de walvis”, Linde Faas

Als ik het gevoel heb dat het verhaal wat meer vorm begint te krijgen, maak ik een storyboard. Dit is iets wat ik op de kunstacademie vaak deed voor mijn animatiefilms en werkt ook heel goed voor het opzetten van een prentenboek. In eerste instantie doe ik dit met potlood, maar later voeg ik ook kleur toe om een beter beeld te krijgen van het kleurverloop van de illustraties.

Daarna neem ik de tijd voor het ontwerpen en ontwikkelen van de karakters. Het kan best een tijdje duren voordat je een karakter echt goed in je vingers hebt zitten. Als dit eenmaal natuurlijk en vertrouwd voelt, begin ik met het uitwerken van de uiteindelijke illustraties en het schrijven van de tekst.

Uiteindelijke illustratie voor “De jongen en de walvis”, Linde Faas, 2019, Lemniscaat
Uiteindelijke illustratie voor “De jongen en de walvis”, Linde Faas, 2019, Lemniscaat
Welke illustratietechnieken gebruik je?

Ik probeer zoveel mogelijk op papier werken, maar soms is het ook bevrijdend om in de computer te werken, omdat je daarmee veel meer mogelijkheden hebt dan op papier.

Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut en nu?

Ja enorm veel! Vroeger had ik het gevoel dat het meteen perfect moest zijn en was er weinig ruimte voor het uitproberen van nieuwe dingen. Ik dacht dat ik alles van tevoren helemaal uitgedacht moest hebben voordat ik echt kon beginnen met het uitwerken van de illustraties. Nu vind ik het juist fijn om dingen open te laten en wat van de controle los te laten. Om gewoon te beginnen en te zien waar het me naartoe leidt. Meestal leveren de dingen die spontaan of per toeval ontstaan de mooiste en meest interessante beelden op.

 Wat zijn echte leermomenten geweest?

Eén van mijn meest belangrijkste leermomenten was toen ik eindelijk de stap durfde zetten om aan een eigen prentenboek idee te gaan werken. Daarvoor dacht ik steeds ‘het komt wel’, maar het komt pas als je het echt inplant en jezelf de tijd gunt om er in alle rust aan te kunnen werken. Het voelde als een bevrijding toen ik eenmaal kon starten en heeft me geleerd dat het belangrijk is om je eigen pad te volgen en op je gevoel te vertrouwen.

 Wat zijn jouw favoriete materialen  en technieken om te illustreren?

In mijn vrije werk en animaties hou ik er erg van om te werken met potlood. Ik hou er enorm van om in zwart/wit te werken en vind de structuur van potlood erg mooi. En het repetitieve van met potlood tekenen werkt bijna hypnotiserend. Het is een soort mindfulness. Meestal ben ik zo geconcentreerd aan het tekenen dat ik er pas na een lange tijd weer uit kom en dan pas goed zie wat ik precies heb getekend. Het is een heel natuurlijk proces. Dat is vaak heel leuk omdat ik mezelf er soms mee kan verbazen met wat er op papier is ontstaan.

In mijn illustraties gebruik ik het liefst verschillende materialen door elkaar zoals aquarel, inkt, potlood, pastel en krijt. Dit geeft me veel vrijheid om te experimenten en brengt een levendigheid en beweging in het beeld die ik mooi vind.

 Aan welk boek bewaar je leuke herinneringen? 

Het boek waar ik op verschillende vlakken de beste herinneringen aan heb, is ‘Vlo en Stiekel’ van Pieter Koolwijk. Dit was mijn eerste opdracht voor Lemniscaat en het eerste boek dat ik voor Pieter illustreerde. Ik was van plan om mijn portfolio naar een aantal uitgeverijen op te sturen, maar ik vond dat ik mijn portfolio eerst moest uitbreiden. Ik kwam net van de kunstacademie waar ik me voornamelijk op het maken van animatiefilms had gericht en had nog maar weinig illustraties gemaakt. Dus was ik van plan om mezelf een half jaar de tijd te geven om mijn portfolio op te bouwen. Ineens kreeg ik een mailtje van de uitgever van Lemniscaat, met de vraag of ik een keertje op gesprek wilde komen. Ik dacht eerst dat iemand een grap met me uithaalde, maar het bleek echt een uitnodiging te zijn! Ik weet nog steeds niet zeker hoe ze me destijds gevonden hebben, haha!

Dit was ook het begin van mijn samenwerking met Pieter Koolwijk, wiens boeken ik bijna allemaal geïllustreerd heb. Het is heel fijn om met Pieter samen te werken. Hij betrekt me al in een vroeg stadium bij zijn verhalen en geeft mij alle ruimte om daar mijn eigen creatieve uitspattingen op los te laten. Soms bedenkt hij zelfs bepaalde scenes of elementen omdat hij denkt dat ik daar iets moois bij kan illustreren. Hij daagt me graag uit. We voelen elkaar goed aan en denken op dezelfde manier, wat erg fijn werkt.

Illustratie uit "Gozert", Linde Faas, auteur Pieter Koolwijk, Lemniscaat, 2019
Illustratie uit “Gozert”, Linde Faas, auteur Pieter Koolwijk, Lemniscaat, 2019
 Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

Oh het zijn er zoveel, teveel om allemaal op te noemen! Eén van mijn favoriete prentenboeken is ‘Regels van de zomer’ van Shaun Tan. Ik kan daar uren naar kijken en bij wegdromen. Ik vind het zo’n mooi poëtisch idee. En de illustraties zijn echt schitterend. Verder zijn Rebecca Dautremer, Benji Davies, Oliver Jeffers, Paul Biegel, Pieter Koolwijk, Roald Dahl en Astrid Lindgren onder mijn favorieten. 

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik heb net een prentenboek afgerond. Het gaat over een kikker die op zoek gaat naar zijn broer in de jungle. Het is kleurrijk en een beetje vreemd. Mijn doel is dat het de lezer met een warm gevoel achterlaat. Ik hoop dat dat gaat lukken.

Inmiddels ben ik ook begonnen met een nieuw prentenboek geïnspireerd op Noorwegen. Dit keer gaat het over de magische winter.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren?

Vertrouw op je intuïtie en durf jezelf te zijn! Probeer op zoek te gaan naar je eigen handschrift en je eigen stem. Experimenteer zoveel mogelijk en zie elke stap als een nieuwe kans om dingen te leren. Wees niet bang dat dingen mislukken of tegenvallen, het zijn allemaal belangrijke stappen die je verder helpen en alleen maar beter maken als illustrator en kunstenaar. Laat je niet teveel leiden door wat anderen vinden, iedereen heeft een andere mening. Uiteindelijk kun je het beste op je eigen gevoel vertrouwen.

Wil je meer weten over Linde Faas en haar werk? Bezoek dan ook eens haar eigen website!

Interview Yvonne Jagtenberg

Yvonne Jagtenberg brengt een ode aan filmmaker Jacques Tati met haar boek  “Mijn wonderlijke oom”, over Mon oncle, het alter-ego van Tati.  De kleine Gerard woont in een hypermodern, kil huis waar humor en kattenkwaad niet getolereerd lijken te worden. Zijn prettig gestoorde oom brengt daar verandering in. Zijn fantasie en verwondering vormen een voorbeeld voor zijn neefje. De vraag is wie past er nu eigenlijk op wie?

Gefeliciteerd Yvonne met het Gouden Penseel voor “Mijn wonderlijke oom”. Kun je wat vertellen over hoe “Mijn wonderlijke oom” tot stand is gekomen?

Een idee is altijd een samenspel van omstandigheden. Bij het opruimen van mijn atelier kwam ik een tekeningetje tegen dat ik bijna 20 jaar geleden gemaakt, geïnspireerd op Jacques Tati. Ik had mijn man getekend met een regenjas en een pijp en een vlaggetje, omdat hij 40 werd. Het wekte opnieuw mijn interesse voor Tati en ik kwam erachter dat hij het karakter zijn alter-ego Mon oncle 60 jaar geleden bedacht had. Geen toeval. Het idee ontstond om een nieuwe generatie kennis te laten maken met deze wonderlijke man en zijn visie op het leven.

Spread uit Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg, Rubinstein, 2018
Spread uit Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg, Rubinstein, 2018

Het boek is een in alle opzichten een rond verhaal, omdat er niet alleen voor mij persoonlijk dingen blij elkaar komen. Zoals mijn levensvisie, mijn jeugd en mijn voorbeelden. Mijn vader, maar ook Jacques Tati als beeldmaker. Maar ook omdat het verhaal zichzelf vertelde. Al werkende kwam ik erachter dat het verhaal er altijd al geweest was en dat ik mijn eigen beeldtaal kon gebruiken, mijn eigen verhaal kon vertellen en tegelijk het verhaal over Jacques Tati. Dat was een heel bijzondere ervaring.

Wat ga je doen voor de promotie van het boek?

Ik reis rond met Mijn oom naar scholen en bibliotheken. Maar  we zijn stiekem ook aan het nadenken over een leuke theatervoorstelling.  Daarnaast moet ik naar Parijs, ga ik op bezoek bij de erven van Tati en zal er een boekpromotie toer komen aldaar.

Er staat inmiddels ook een liedje op Youtube over “Mijn wonderlijke oom”.

Welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Ik heb verschillende prentenboeken(series) gemaakt als auteur en illustrator.  Daarbij heb ik karakters gecreëerd zoals Arno, Balotje, Hartje, Hondje de enige.

Ik heb ook een karakter De fantastische Max van Mars gemaakt, een leesboek vanaf 8 jaar, waar ik ook zelf kleine tekeningen voor maakte.  Prentenboeken zijn als het goed is één beweging, van voor naar achteren, boeken waar vanwege het beeld geen woord teveel in staat. Dat is bij een leesboek anders, daar moet je soms dingen omschrijven, dingen die je in een prentenboek gewoon kan zien. Die relatie tussen woord en beeld maakt een prentenboek maken spannend.

Hoe ga je te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek? Kun je jouw werkproces toelichten?

Inspiratie heb ik gek genoeg altijd wel, maar niet elk idee is levensvatbaar. Ik pluk mijn ideeën van de straat of van een boom. Soms heeft het meer de vorm van een ei, een verhaal wat er gewoon uit moet.

Meestal begint het met een knullig tekeningetjes of een zinnetje. Ik prik het aan de muur of stop het in een boekje. Ik geef het aandacht, koester of verwaarloos het. Tot het moment daar is. De overeenkomst met koken is groot; ingrediënten bij elkaar zoeken, idee afpellen, bakken,  sudderen. Dingen moeten rijpen. Of het nu in je hoofd is of op papier. Tot het moment is aangebroken dat ik er echt iets goeds van kan bakken.

Ik leer nog steeds. Elk boek weer iets nieuws of over mezelf, de wereld of over een techniek. Elk boek is voor mij een leerproces.

Schets Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg
Schets Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg
Welke illustratietechnieken gebruik je?

Ik werk nu met aquarel. Maar heb eigenlijk niet zoveel met die laagjestechniek. Ik houd van de directheid van potlood en andere basic materialen, zoals krijt en pen. Het maakt niet uit. Als het maar niet met de computer is. Ik vind de verbinding hoofd-hart-hand heel belangrijk!

Uiteindelijke illustratie uit Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg, Rubinstein, 2018
Uiteindelijke illustratie uit Mijn wonderlijke oom, Yvonne Jagtenberg, Rubinstein, 2018
Aan welk boek, auteur en/of uitgeverij bewaar je de beste (of leuke) herinneringen en op welke ben je het meest trots?

Mijn eerste boek “Een bijzondere dag” was meteen een groot succes.  Ik ben nog elke dag blij dat ik die stap gezet heb. Ik won er het Charlotte Köhler Stipendium mee, het werd verkocht aan meerdere landen en ik kwam o.a. te hangen in New York en Japan op exposities. Afreizen naar Amerika en daar verblijven in de Mondriaan-loft of 10 dagen naar Japan, lezingen en workshops verzorgen in het museum. Daar heb ik mooie herinneringen aan.

Spread uit Een bijzondere dag, Yvonne Jagtenberg, Davidsfonds, 2005
Spread uit Een bijzondere dag, Yvonne Jagtenberg, Davidsfonds, 2005
 Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken?

De verhalen van Helma Heine of John Burningham vind ik fijn. En Petit Nicolas met de directe tekeningen van Goscinny Sempé.

 En illustratoren en schrijvers?

Ik hou van Carver, de manier waarop hij verhalen verteld.

Ik kijk niet heel veel naar andere illustratoren. Wel naar kunst. Dat is mijn achtergrond en inspiratie. Het zijn vaak details of klein stukjes waar ik warm van word. Grote jongens als Hopper of Klee. Ik hou van beelden. Werken die een verhaal in zich dragen.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik ben nu bezig met Hup Herman, een boek over een hangbuikzwijn. Wilde ik altijd al eens maken, omdat ik het zo’n geweldig leuk beest vind. Dat bruin-zwarte logge lijf met die kleine priemoogjes. Ik verheug me op Herman. Hij komt eraan!

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren (van prentenboeken)?

Nou, doe niet iets wat een ander al doet. Probeer je eigenheid te ontdekken door te doen, heel veel te doen. En jaag niet de wind achterna, maar heb plezier in wat je doet!

Yvonne Jagtenberg werkt aan Mijn wonderlijke oom (foto Arno Kranenborg)
Yvonne Jagtenberg werkt aan Mijn wonderlijke oom (foto Arno Kranenborg)

Wil meer weten over Yvonne Jagtenberg en haar werk? Neem dan eens een kijkje op haar eigen website.

Interview Sanne te Loo

Gefeliciteerd Sanne met de Zilveren Penseel voor “Dit is voor jou”! Kun je wat vertellen over hoe “Dit is voor jou” tot stand is gekomen?

‘Dit is voor jou’ zag ik voor me toen iemand mij een jeugdherinnering vertelde. Als kind vond zij een fijn thuis bij een oude man. Toen hij verhuisde zorgde hij ervoor dat het kind welkom zou zijn bij de volgende bewoners. Dit gaf haar leven een duw in de goede richting.

Deze jeugdherinnering ontroerde mij zeer, ik voelde herkenning en dacht direct: ‘Het is net een prentenboek! Hier moet ik iets mee’.

De setting van het verhaal moest veranderen en heb ik dicht bij mijzelf gehouden. Van de oude man maakte ik een schilder die ik graag ontmoet zou hebben toen ik jong was.

Hij heeft zijn atelier in een vervallen huis in een buitenwijk van een grote stad, waar hij als jonge schilder kwam wonen om met zijn schilderijen zijn brood te verdienen. Nu hij oud is verlangt hij terug naar waar hij vandaan komt.

illustratie uit "Dit is voor jou", Sanne te Loo
illustratie uit “Dit is voor jou”, Sanne te Loo, 2017, Lemniscaat

Wanneer de schilder de jongen ontmoet die van tekenen houdt, herkent hij zichzelf in hem. Hij geeft zijn kennis en atelier door en is zo van grote betekenis voor de jongen. De titel van het boek ’Dit is voor jou’ is daarom ook een bericht van de jongen aan Anselmo. De jongen vertelt zijn verhaal en draagt het boek op aan de schilder die hem zijn vertrouwen gaf.

Zelf heb ik een promofilmpje voor het boek laten maken, en in de kinderboekwinkel Kakelbont in Utrecht zijn nog altijd de originele illustraties te zien.

Welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Het eerste boek dat ik illustreerde was een prentenboek naar een oud, Chinees verhaal ‘Ping Li en zijn vlieger’, in opdracht van de uitgeverij Lemniscaat. Om mezelf aan het werk te houden ben ik verhalen gaan schrijven. Ook al voelde ik me geen schrijver, maar een tekenaar, toch lukte het me om het boek ‘Kleine Vis’ te bedenken. Daarna volgde nog 6 eigen prentenboeken.

Het illustreren van verhalen van anderen doe ik net zo graag. Het leuke is dat elke schrijver zijn of haar eigen interesse meebrengt, vaak een onderwerp waar ik niets van af weet. Mij verdiepen in dat onderwerp kost misschien veel tijd, maar is erg leuk om te doen!

Bij een leesboek hou ik me in, de tekst vertelt het verhaal al mooi. Mijn tekeningen zijn ondersteunend en geven een bepaalde sfeer aan het boek. Maar bij een prentenboek pak ik graag uit. Daar vertel ik het verhaal het liefst zo veel mogelijk met beeld.

illustratie uit "Ieber en Knoert", Sanne te Loo
illustratie uit “Ieber en Knoert”, Sanne te Loo, 2018, Hoogland & van Klaveren
Hoe ga je te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek? Kun je jouw werkproces toelichten?

Meestal wordt een idee voor een prentenboek geboren uit interesse of iets dat mij opvalt. Daarna is het puzzelen om er een logisch verhaal van te maken. Soms lukt dat wel, maar soms ook niet.

De sfeer en de vorm van het boek bepaal ik door veel beeldmateriaal te zoeken uit boeken en van internet. De hoofdpersonen ontstaan door met verf op papier te gaan klooien en zoeken, net zo lang tot ik een figuurtje heb getekend dat mij aanspreekt. Ze moeten iets karakteristieks hebben waardoor je ze meteen herkend op de volgende bladzijde.

Dan verdeel ik het verhaal over de 12 spreads van een prentenboek en schets de beelden met potlood op papier.

potloodschets voor "Dit is voor jou", Sanne te Loo
potloodschets voor “Dit is voor jou”, Sanne te Loo

Soms zegt een beeld al zoveel dat er steeds minder woorden nodig zijn.

Wanneer het hele boek geschetst is en goed gekeurd door uitgever en schrijver, dan kan ik beginnen aan de uitwerking van de illustraties op dik aquarelpapier.

De eerste pogingen zijn een oefening om te ontdekken hoe die moet. Heb ik het in de vingers dan maak ik de illustratie nogmaals, alsof het een makkie was.

Als materiaal gebruik ik daarvoor aquarel en druktechnieken door elkaar. Dit zijn technieken die je niet helemaal in de hand hebt, dat kost soms veel papier, maar daardoor blijf ik benieuwd naar het eindresultaat. Het toeval toe laten in mijn werk is iets wat ik bij mijn eerste boeken nog niet kon, nu laat ik me graag verrassen.

Uiteindelijke illustratie voor "Dit is voor jou", Sanne te Loo
Uiteindelijke illustratie voor “Dit is voor jou”, Sanne te Loo, 2017, Lemniscaat
Aan welk boek, auteur en/of uitgeverij bewaar je de beste (of leuke) herinneringen en op welke ben je het meest trots?

‘De duik’ van Sjoerd Kuyper is een boek waar ik een jaar aan heb gewerkt en mee heb geleefd. Het is zo mooi geschreven, maar een ingewikkeld verhaal en ik was bang dat ik de opdracht zou verknallen.

Al die tijd zat ik met mijn gedachte op Curaçao, daar wilde ik eigenlijk blijven, het koste moeite het los te laten toen het boek klaar was.

 Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken?

Mijn boekenkasten puilen uit! Ik koop heel veel verschillende boeken. Juist als ik iets nieuws ga maken, om inspiratie te krijgen en enthousiast te worden, ga ik eerst naar de boekwinkel. Daarna heb ik enorm veel zin om aan de slag te gaan. De lijst van favorieten is te lang!

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Net afgerond zijn de illustraties voor het non-fictie leesboek ‘Brons’, geschreven door Linda Dielemans. Het vertelt op een spannende manier over de voorwerpen uit de bronstijd die in Europa gevonden zijn, zoals zwaarden, bijlen en sieraden. Een onderwerp waar ik niets van af wist, maar nu dus wel!

Wat ligt te wachten is een prentenboek geschreven door Koos Meinderts. Ik maak er een Caribisch sprookje van, daar heb ik zin in. 

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren (van prentenboeken)?

Een tekening is een moment opname van je kunnen. Je bent in ontwikkeling, neem de tijd.

Sanne te Loo
Sanne te Loo

Wil meer weten over Sanne te Loo en haar werk? Neem dan eens een kijkje op haar eigen website.

van 10 januari t/m 2 maart 2019 zijn de originele illustraties en schetsen van Sanne te Loo uit de prentenboeken ‘Ieber en Knoert’ en ‘De jongen die met dieren schaatste’, geschreven door Edward van de Vendel, te zien op de jeugdafdeling van de Openbare Bibliotheek in Amsterdam (OBA Oosterdok).

Op 13 februari en 22 februari is Sanne daar zelf vanaf 15.00 uur aanwezig om voor te lezen.

Interview Leo Timmers

Gefeliciteerd Leo met de verkiezing van Prentenboek van het Jaar 2019 voor “Een huis voor Harry”! Kun je wat vertellen over hoe “Een huis voor Harry” tot stand is gekomen?

Om eerlijk te zijn weet ik het niet meer precies hoe ik op het idee gekomen ben. Het is ook al zeer lang geleden, want  in 2007 maakte ik al een eerste versie van het boek. Ik vermoed dat het idee, zoals steeds, ontstaan is tijdens het schetsen en er plots een poes voorbij kwam lopen.

Eerste schetsen voor het boek "Een Huis voor Harry"
Eerste schetsen voor het (Engelstalige) boek “Een Huis voor Harry”, Leo Timmers 2007

Wat ik wel kan vertellen is dat het verhaal ontstaan is uit de drang om een boek te maken  dat niet paste in het stramien van 12 of 15 spreads zoals dat bij mijn vorige uitgever werd gehanteerd. Ik zag alsmaar meer boeken verschijnen die zich daar niet aan hielden, die veel vrijer waren en minder strak verteld werden. Ik wilde ook een verhaal bedenken zonder mezelf te beperken. Het idee van verdwalen had naar mijn gevoel ook een langere vorm nodig. Zo werd de zoektocht tastbaar bij het omslaan van elke pagina.

Mijn plan was om een geschetste dummy op te sturen naar buitenlandse uitgevers, en daar mijn kans te wagen. Ik schreef de eerste versie van Harry dan ook in het Engels. Via een agent kwam het terecht bij Engelse en Amerikaanse uitgevers, maar die vonden het… te lang! ‘Niet commercieel genoeg, geen duidelijke boodschap’ was de reactie. Ik wilde er echter niets aan veranderen en besloot het opzij te leggen. In 2009 kwam ik bij Querido terecht en toonde ik Harry aan mijn redactrice Belle Kuijken. Zij vond het wél mooi, maar ik was op dat moment al aan “Meneer René” bezig. Daarna maakte ik “Boem” en nog een reeks andere boeken.

Na Garage Gust in 2016 was ik op zoek naar een nieuw prentenboek idee. Ik had enkele nieuwe voorstellen, maar over geen enkel was ik, noch Querido echt wild. En toen zei Belle, ‘Ik heb de dummy van, ‘A house for Harry’ nog eens bekeken en ik vind dat zo mooi. En iedereen op de uitgeverij ook. Wil je dat nog eens bekijken?’

Ik was Harry compleet vergeten!  Ik had aanvankelijk niet veel zin om het opnieuw op te diepen. Misschien was ik door de negatieve reacties uit het buitenland toch gaan twijfelen aan het verhaal. Het voelde ook wat als een nederlaag om terug te grijpen naar een oud verhaal terwijl ik er niet in slaagde iets nieuws te bedenken. Op een avond klikte ik de PDF dan toch open. Ik durfde nauwelijks te kijken. Ik schrok hoezeer mijn stijl doorheen de jaren veranderd was, maar vond het verhaal nog steeds goed. Véél beter dan de andere ideeën waar ik aan werkte.

Toevallig hadden we dat jaar net een nieuwe poes gekocht, ‘Billy’ genaamd, een Ragdoll ras kat. Plots zag ik wat het verhaal nog miste. Harry moest een echte huiskat worden die altijd binnen zit om het contrast met die straatkatten groter te maken. Dat nieuwe inzicht maakte me weer enthousiast! Querido had geen problemen met de lengte van het boek. Het verhaal is bijna hetzelfde gebleven, maar de tekeningen zijn helemaal anders geworden.

Intussen is het boek in 10 talen vertaald, en is het verkozen tot prentenboek van het jaar 2019. Ik zal Belle eeuwig dankbaar zijn!

Verschil tussen "Een huis voor Harry" in 2007 (boven) en 2017 (onder)
Verschil tussen “Een huis voor Harry” in 2007 (boven) en 2017 (onder), Leo Timmers
Kun je wat inhoudelijk nog wat meer vertellen over “Een huis voor Harry”?

Inhoudelijk zijn er altijd wel parallellen te trekken met mijn eigen leven. Mijn boeken staan dicht bij me, denk ik. Ze belichten verschillende aspecten van mijn fascinaties, leven, jeugd.

Zo is Garage Gust een ode aan mijn ooms (die een garage hadden, net als Gust kon één van hen geen auto rijden) en aan mijn jeugd waar ik, meer nog dan tekenen, vooral aan het knutselen, uitvinden en bouwen was.

Harry staat ook dicht bij me. Net als Harry zit ik ook liefst van al binnen. Ik ben eerder verlegen en moet soms verplicht worden om naar buiten te gaan. In die grote mensenwereld loop ik ook verloren. Ik wilde heel graag vertellen dat het belangrijk is om soms eens verloren te lopen. Je ziet nieuwe dingen, ontmoet anderen, maakt vrienden, en je leert altijd wat nieuws. In het begin van het boek is enkel Harry op de prent te zien. Op het einde zit zijn hele dak vol. Uit de tekst blijkt ook dat hij morgen weer naar buiten zal gaan. Als we de wereld in trekken en anderen ontmoeten, dan verandert er iets.

Illustratie uit "Een huis voor Harry", Leo Timmers, Querido, 2017
Illustratie uit “Een huis voor Harry”, Leo Timmers, Querido, 2017
Harry is zo aaibaar, dat vraagt om een vervolg?

Nee, een vervolg zit er niet in. Ik heb nog nooit een vervolg op één van mijn boeken gemaakt. Heel wat van mijn boeken lenen zich er wel toe, maar als ik klaar ben met een boek ben ik er ook écht helemaal klaar mee. De gedachte dat ik het nog een keer moet doen trekt me helemaal niet aan. Elk boek is zo’n lang en intens proces dat ik uitgeput ben als het af is. Daarom verschillen alle boeken heel erg van elkaar. Elk boek is een reactie op het vorige. Ook al komen sommige thema’s of onderwerpen wel eens terug, er moet altijd een nieuwe invalshoek zijn die het interessant maakt.

Welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Ze staan centraal. Omdat ik zowel bedenk, schrijf en teken blijft er weinig tijd over voor ander werk. De laatste 10 a 15 jaar heb ik me er echt in verdiept en op toegelegd. Ik neem nauwelijks nog opdrachten aan. Het is het mooiste vak ter wereld.

Hoeveel (en welke) prentenboeken heb je geïllustreerd?

Ik heb, naast massa’s boeken voor Zwijsen en andere opdrachtgevers, een tiental prentenboeken in opdracht geïllustreerd. Van apendraf tot kikkersprong, Tien varkentjes tien?, 3 Dino boeken, De gouden kwast, Groen, Kapitein Bleekscheet, Wij samen op stap, En dat doen we dus.

Hoeveel (en welke) prentenboeken heb je zelf geschreven?

Vijftien prentenboeken heb ik zelf geschreven. Ik maak ongeveer 1 boek per jaar. Blij met mij, Ik vlieg, Supermuis, Wie rijdt?, Ik ben de koning, Diepzeedokter Diederik, Oei!, Kraai, De kar van de koning, Meneer René, Boem, Franky, Garage Gust, Een huis voor Harry, Aap op straat.

Wat maakt prentenboeken voor jou anders dan andere kinderboeken?

Echte prentenboeken zij visuele vertellingen. Ik maak graag een onderscheid tussen geïllustreerde boeken en prentenboeken. Er is een wezenlijk onderscheid tussen die twee vormen. Echte prentenboeken ontstaan eerder vanuit het beeld dan vanuit de tekst. Dat betekent dat alle narratieve informatie in het beeld zit. Tekst is zelfs niet noodzakelijk. Daarom vind ik zelf de helderheid van het beeld zo belangrijk. Omdat het beeld de informatiedrager is moet die zo juist en duidelijk mogelijk communiceren. Compositie, kleur, eenvoud, ritme… het zijn allemaal middelen die helpen om een verhaal zo goed mogelijk te vertellen.

De tekst moet een relatie aangaan met het beeld. Ik vergelijk het wel eens met een lied waarbij de songtekst moet werken met de muziek en de melodie. Door dit samenspel ontstaat er een nieuw betekenisniveau. Tekst kan de tekening tegenspreken, aanvullen, ondermijnen, en omgekeerd. Er zijn zoveel mogelijkheden! Deze relatie tussen tekst en tekening is zo typisch voor een prentenboek. Ik probeer er telkens iets anders mee te doen: Franky (tekstballonnen), Boem (één woord, onomatopee) Garage Gust (rijm), Wie rijdt? (1 terugkerende vraag), Kraai (narratief vertellersperspectief), Aap op staat (geen tekst).

Ik vind de relatie tussen tekst en beeld razend interessant. Het gaat naar het hart van wat een prentenboek is. Het moet voor mij meer zijn dan een collectie mooie tekeningen. 

Illustratie uit "Garage Gust", Leo Timmers, Querido, 2015
Illustratie uit “Garage Gust”, Leo Timmers, Querido, 2015
Hoe ga je te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek? Kun je jouw werkproces toelichten?
Inspiratie / idee

Het begint altijd aan mijn tekentafel, al schetsend, zonder veel na te denken als een soort écriture automatique, maar dan met beelden. Ik bind wat papier samen (dummy’s) en begin erin te schetsen. Ik volg letterlijk mijn hand en kijk wat er gebeurt. Het is een heel spannend proces, waarbij plots, op enkele seconden, iets ontstaat waar daarvoor nooit aan gedacht zou hebben. Ik probeer ideeën te ‘vangen’ zonder voorbedachte rade, zo spontaan mogelijk. Uit een beeld groeit een ruwe verhaallijn. Met dat beeld probeer ik een verhaal te tekenen, zonder woorden. Lukt het me een verhaal tot een goed einde te brengen? Kan ik alle stappen duidelijk maken zonder behulp van tekst? Als me dat min of meer lukt, ga ik er meer verder. Ik heb massa’s kleine boekjes met ideeën en verhalen die (nog) niet werken. Ik denk dat ik dit het meest creatieve moment vind van het hele proces.

Hoe ga je daarna verder?

Als ik eenmaal een goed ruw idee te pakken heb, ga ik kijken of het verhaal een kritische blik kan doorstaan. Ik ga het idee van alle kanten bekijken en ga verschillende vormen uitproberen. Ik ga ook al bekijken hoe de tekst er zou kunnen uitzien. Welke vorm moet die krijgen? Ik schets vele versies, waarbij ideeën toegevoegd of weggehaald worden. Ik streef naar eenvoud en vanzelfsprekendheid, maar ook naar verrassing en humor. Het mag vooral niet te vergezocht zijn.

Soms kan dit proces me een kant uitsturen die ik niet voorzien had. Dat kan goed uitpakken, maar soms raak ik zo ver verwijderd van mijn oorspronkelijke idee dat ik verloren loop in een bos van mogelijkheden. Dan is het belangrijk om terug te grijpen naar die allereerste kleine dummy. Daarin zie je weer wat je zo enthousiast maakte, en waar je terug naartoe moet. Het kan ook dat ik vast kom te zitten en alles opberg. Soms vind ik pas vele jaren later de oplossing voor een verhaal. Het is me al heel vaak gebeurt dat ik de meest eenvoudige oplossingen pas na veel omwegen ontdekte.

Welke illustratietechnieken gebruik je?

Ik heb veel verschillende technieken gehad, zoals pen en aquarel, kleurpotlood en gouache. De laatste 15 jaar werk ik bijna uitsluitend met acrylverf. Maar ook daar heb een heel leerproces en evolutie in doorgemaakt.

Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut en nu?

Met elk boek leer ik bij. Een belangrijk verschil met mijn debuut is dat ik het uitwerken van de tekeningen zo lang mogelijk uitstel. Ik moet echt overtuigd zijn van het verhaal, en al een duidelijke richting voor de tekst hebben voor ik begin te schilderen. Ik maak tegenwoordig ook meer kleurstudies op de computer. Verder tracht ik mijn schildersproces telkens opnieuw te belichten, ook door nieuwe technieken en materialen te gebruiken.

Door de  jaren heen is mijn werk van heel gedetailleerd, schilderachtig en plastisch, naar een ruwere, spontane werkwijze geëvolueerd. Voor Harry heb ik bijvoorbeeld een transparante manier van werken gecombineerd met een dekkende licht op donker techniek. Dat levert een interessante spanning op. Aap op straat deed ik het weer anders. Ik plakte voertuigen en personages af met tape en ging op een heel ruwe spontane manier deze ‘sjablonen’ invullen met verf. Voor het eerste gebruikte ik ook een vast palet van vooraf gemengde kleuren die doorheen het hele boek terugkomen. Ach, elk boek is een nieuwe wereld en stelt nieuwe regels.

Wat zijn echte leermomenten geweest?

Die zijn er zoveel! Elke dag eigenlijk. In 1999 durfde ik voor het eerst zelf een verhaal te schrijven. Dat was een belangrijk moment. Ik besefte dat dit voor mij de beste manier van werken was.

Enkele jaren later viel de puzzel helemaal in mekaar toen ik Wie rijdt? maakte. Dieren, voertuigen, het klopte plots allemaal. Het inzicht dat een krachtig visueel idee het allerbelangrijkst is voor een prentenboek heb ik hier geleerd.

Illustratie uit "Wie Rijdt", Leo Timmers
Illustratie uit “Wie Rijdt”, Leo Timmers

Ik heb ook veel geleerd van de mislukte (opdracht)boeken die ik om de verkeerde redenen gemaakt heb. Het deed me inzien dat het zo belangrijk is om enkel te doen waar je rotsvast in gelooft. Het is de enige manier om goed werk af te leveren.

Tijdens het maken van Meneer René drong het tot me door dat prentenboeken maken echt een vak is. Het is niet iets dat je er even bij doet. Ik besliste om met opdrachten te stoppen en me er volledig op toe te leggen. Een prentenboek maken is een heel serieuze zaak die alle aandacht en concentratie vraagt.

Aan welk boek bewaar je de beste herinneringen en op welke ben je het meest trots?

In 2009, toen Meneer René voor de helft klaar was, besliste ik om bij mijn toenmalige uitgever weg te gaan. Ik moest dus op zoek naar een andere uitgever maar wilde dat niet doen met een half afgewerkt boek. Maanden werkte ik verder zonder te weten of, en waar het zou uitgegeven worden. Ik kwam uiteindelijk bij Querido terecht en dat was een bijzonder moment. Het voelde als thuiskomen na een tocht door de woestijn. Meneer René zal altijd met dat moment verbonden blijven. Daarnaast is René ook mijn meest persoonlijke boek, denk ik. 

Illustratie uit "Meneer René", Leo Timmers, Querido, 2010
Illustratie uit “Meneer René”, Leo Timmers, Querido, 2010
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Ik bestudeer graag prentenboeken. Ik tel het aantal pagina’s, in welke vorm de tekst geschreven is, hoe het verhaal is opgebouwd, etc.

Veel van mijn favorieten komen uit de jaren 50 en 60 zoals Maurice Sendak, Tomi Ungerer, Shell Silvertein, Bruno Munari, Leo Lionni, maar ook Max Veldhuijs, Wolf Erlbruch, Jon Klassen, Oliver Jeffers, Peter Brown, Shaun Tan, Dick Bruna, Emily Gravett, Benji Davis… ach teveel om op te noemen. En dan heb ik het niet eens over de vele talentvolle collega’s uit Vlaanderen en Nederland gehad!

Het viel me onlangs op dat mijn favoriete boeken bijna allemaal door schrijvers/illustratoren zijn gemaakt. Is het door de eenheid van vorm en inhoud, tekst en tekening, dat hun boeken zo krachtig werken? Eén stem die spreekt. Ik weet het niet.

Ik weet wel dat deze boeken wérken voor kinderen en dus automatisch ook voor volwassenen. Ik geloof namelijk dat volwassenen ook kinderen zijn, maar dan met een diploma en een job. Verder is er maar weinig verschil.  

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik ben net begonnen aan een nieuw boek! Deze keer was er een weelde aan verhalen en ideeën om uit te kiezen. Uit een zestal voorstellen heb ik het idee gekozen dat het verste van Aap op straat stond.

Ik denk dat het krachtig en verrassend is. Er komen geen voertuigen in voor, geen witte achtergronden maar wel… een draak! Of toch niet? 

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren (van prentenboeken)?

Veel kijken en veel lezen. Leg de lat hoog voor jezelf. Wees niet te snel tevreden. Wees eerlijk. Probeer te schrijven! Laat je niet ontmoedigen. Maar vooral: vind je eigen stem.

Leo Timmers
Leo Timmers in zijn atelier ( © Els Gielen)

Wil meer weten over Leo Timmers en zijn werk? Neem dan eens een kijkje op zijn eigen website.

Interview Mark Janssen

Dag Mark, welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Sinds 2016 nemen mijn eigen prentenboeken de meest belangrijke plek binnen mijn oeuvre in. Het zijn de boeken die mij de beste mogelijkheden geven om mijn verhaal te vertellen en waar ik echt kan uitpakken met de illustraties. Het zijn meestal boeken op mooi groot formaat en ik probeer er echt wat bijzonders van te maken. Tot op heden heb ik vier prentenboeken zelf geschreven; Mijn debuut “Niets gebeurd” in 2016, “Dino’s bestaan niet in 2017 en “Eiland” in 2018, alle van Lemniscaat, plus “Eén eenhoorn, alsjeblieft!” met uitgeverij Moon 2018.

Mark Janssen
Mark Janssen
Je hebt pas recent zelf je eerste prentenboek gemaakt?

Wat de mensen bijna niet meer weten, is dat ik in het begin van mijn loopbaan, in 2002, al een eigen prentenboek heb gemaakt (“De grote verrassing”). Daarna heb ik niets meer gemaakt, behalve het illustreren van honderden kinderboeken voor andere auteurs. Het is er gewoon niet meer van gekomen en het heeft jaren geduurd voordat ik weer een prentenboek illustreerde… Dat werd een prentenboekenreeks over voetbal genaamd “de Voetbalbengels”, van auteur Gerard van Gemert (Clavis). Ik tekende daarna Roodkapje voor Van Goor en de Efteling en daarna heb ik de prenten gemaakt van ‘Ik wil een leeuw!’ van Annemarie van der Eem (Lemniscaat) in 2017. Dit laatste boek plaats ik met alle liefde in het rijtje van bijzondere boeken die ik na mijn switch in 2016 maakte.

‘Niets gebeurd’ is uitgekomen in 2016 en beschouw ik als mijn debuut. Ik ben al 21 jaar bezig als illustrator, maar ik vond de tijd nog niet rijp om met eigen werk te komen. Ik had wel een heel duidelijk beeld in mijn hoofd, hoe mijn boeken er uit zouden moeten zien. Welke look en feeling en techniek, maar ik had het nog niet in de vingers. Ik wist eigenlijk niet goed hoe ik het moest aanpakken. Dat heeft jaren geduurd totdat alle losse eindjes opeens wél bij elkaar kwamen. Alsof een vulkaan tot uitbarsting kwam. Ik maakte in één penseelstreek alle illustraties van ‘Niets gebeurd’ achter elkaar, zonder dat een illustratie over gedaan moest worden en met deze stapel ging ik naar uitgeverij Lemniscaat. Of ze er wat in zagen…Het boek is meteen uitgegeven en voor mij is er enorm veel positiefs gebeurd sinds …..”Niets gebeurd”.

Niet gebeurd - Mark Janssen - Lemniscaat -2016
Niet gebeurd – Mark Janssen – Lemniscaat -2016
Wat maakt prentenboeken voor jou anders dan andere kinderboeken?

Ik ben een echte beelddenker en mijn hele leven al ben ik gefascineerd door het beeld in kinderboeken. Niets ten nadele van de echte leesboeken, maar ze begeven zich op een andere planeet voor mij. Je hebt de planeet van het woord en de planeet van het beeld. Ze hebben zich onderling nodig in de kinderboeken. Soms zelfs minimaal of helemaal niet. Als dat laatste het geval is, dan kom je wat meer in de prentenboeken terecht en daar kan ik mijn talent meer laten zien dan in de leesboeken die terecht door de auteurs gedragen worden. Artistiek kom ik dus het best tot mijn recht in een prentenboek.

“Dino’s bestaan niet” is gekozen in de Prentenboek Top 10 voor de Nationale Voorleesdagen 2019 en won een Vlag en Wimpel van de Penseeljury. Waar gaat het boek over?

Het boek gaat over twee broertjes die ’s avonds laat dino’s gaan vangen in het bos. Het jongste broertje neemt het heel serieus op, terwijl zijn oudere broer weet dat ze een spel spelen. Hij doet ALSOF ze dino’s gaan vangen. Maar wie van de twee heeft het bij het rechte eind? De lezer ziet allerlei taferelen ontrollen die de kinderen niet zien, omdat in de prenten heel erg wordt uitgezoomd. Er zijn hele landschappen te zien waarin men zich de vraag kan stellen; zijn dat nu wel of geen dino’s?

Wat heel bijzonder aan het boek is, dat er vier prenten in staan die je kunt uitklappen tot een tekening van een meter breed. Ik hield mezelf als jochie van 6, 7 of 8 jaar oud voor ogen; wegdromend bij prachtige prenten waarop heel veel te zien was. Dat wilde ik aan de lezer geven. Geen tekeningen waar je in één oogopslag alles gezien hebt, maar waar je kunt blijven kijken en telkens nieuwe dingen ontdekt. Aandacht voor het grote geheel, maar ook voor het kleinste detail.

Illustratie uit Dino's bestaan niet - Mark Janssen - Lemniscaat - 2017
Illustratie uit Dino’s bestaan niet – Mark Janssen – Lemniscaat – 2017
Hoe ben je op het idee gekomen voor dit prentenboek?

Dat is een leuke anekdote. Ik woon in Zuid-Limburg en mijn hobby is wielrennen. Een paar keer per week fiets ik naar het zuiden richting de Belgische stad Luik. Toen ik boven op een heuvel over het Luikse landschap keek, zag ik eigenaardige heuvels rond de stad liggen. Die had ik al vaker gezien natuurlijk, maar in een jolige bui, zag ik er opeens de ruggen van dino’s in. Op de terugweg naar huis, kwam het verhaal opborrelen dat kinderen langs de heuvels liepen en niet wisten welk groot gevaar ze liepen. Wij als verre toeschouwer zien er een dino in, maar de kinderen zo vlakbij, zouden alleen maar een begroeide heuvel zien. Het boek was geboren!

Wat ga je doen voor de promotie van het boek?

Ik kom zelf wat minder in actie, maar rond de kinderboekenweek zit ik vol met lezingen en workshops waarin de Dino’s ook naar voren komen natuurlijk. Er komt een reizende tentoonstelling van de prenten langs de kinderboekhandels in Nederland en in de grote bibliotheek van Rotterdam komt gedurende de hele zomerschoolvakantie een grote ‘Dino’s bestaan niet’ expositie met dino-glijbaan en experience-hoek. Op 24 augustus om 14 uur ben ik er trouwens persoonlijk om voor te lezen, te signeren en boeken te verkopen. U bent allen meer dan welkom! 

Hoe ga je te werk bij het schrijven en illustreren van een prentenboek?

Het idee krijgen is het moeilijkste. Dat is de basis van alles. Dat moet goed zijn; het moet kloppen, het moet simpel en eenvoudig zijn; je moet het meteen snappen. Juist dat eenvoudige is het moeilijkste, want je bent al snel geneigd om hele verhalen en zijlijnen er bij te halen om zaken uit te leggen. Dan wordt het echter te ingewikkeld en zwakt het de kwaliteit alleen maar af. Zo’n idee krijgen is moeilijk hoor. Vaak gaan er maanden voorbij waarbij je echt wilt dat er wat gebeurt op dat vlak. Het zijn daarom vaak hele toevallige ingevingen of gedachtes. Het idee voor Eiland kwam in 3 secondes tot me, terwijl ik al maanden zoekende was. Het klopte van begin tot eind en dan weet je dat het zover is.

Dan ga je het heel snel op papier krabbelen. Steekwoorden en hele snelle schetsen om de kern vast te leggen. Als dat is gebeurd, ligt het vast en haal je opgelucht adem. Vervolgens ga je het uitwerken; met schetsen, met schaven en doorhalen. Je verdeelt je idee in 12 stukjes. Het zijn de 12 spreads van een klassiek prentenboek. Je kijkt of het ritme klopt en of de pay-off goed uit de verf komt. Is één spread genoeg hiervoor of toch twee. Je bent bezig met het idee in de juiste pasvorm te gieten.

Na het schetsen ga ik verder met het schilderen op papier. Ik werk de karakters, de dieren en alle andere items die in de illustratie komen uit met aquarel. Op het laatst poets ik op de computer storende zaken weg met Photoshop. Dat wil dus zeggen dat het een digitaal bestand wordt.

Van schets naar illustratie - Dino's bestaan niet
Van schets naar illustratie – Dino’s bestaan niet
 Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut en nu?

In het werkproces niet, maar ik neem er nu wel veel meer tijd voor. Ik heb meer rust en geef het alle tijd om het beste naar voren te halen. Vroeger was ik wat gehaaster en ook wat minder overtuigd van mijn eigen werk helaas. Daarom twijfel je wat meer en neem je ook niet de luxe om er eindeloos aan te werken. Ik ben dus gegroeid in zelfvertrouwen en geloof in eigen kunnen…

Wat zijn echte leermomenten geweest?

Echte leermomenten dienen zich onaangekondigd aan; dat zijn bijvoorbeeld toevallige ontmoetingen met collega-illustratoren geweest die (voor 2016) vertelden dat ze nee durfden te zeggen tegen opdrachten die hen niet goed pasten, ook al konden ze de vergoeding goed gebruiken. Of mededelingen dat je je hart moet volgen in je werk. Zaken die mij op de juiste momenten voedden om ze toe te passen.

Aan welk boek, auteur en/of uitgeverij bewaar je de beste (of leuke) herinneringen en op welke ben je het meest trots?

Ik ben trots op de fijne samenwerkingen met verschillende auteurs. Daarnaast heb ik natuurlijk leuke herinneringen aan mijn allereerste gesprek bij uitgeverij Lemniscaat toen ik totaal out of the blue met een stapel illustraties aankwam (“Niets gebeurd”) en men zich letterlijk afvroeg onder welke steen ik al die jaren had gelegen.

Verder ben ik heel trots op mijn laatste eigen prentenboek “Eiland” dat ik gelijktijdig voor een grote Chinese uitgeverij heb gemaakt, als voor Lemniscaat. De Chinese rechten liggen bij de Chinese uitgeverij en alle andere wereldrechten bij Lemniscaat.

illustratie uit Eiland - Mark Janssen - 2018 - Lemniscaat
illustratie uit Eiland – Mark Janssen – 2018 – Lemniscaat
 Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Tijdens mijn kunstacademie-periode kocht ik alle boeken van de Oostenrijkse illustratrice Lisbeth Zwerger. Haar werk heeft me de eerste basis gegeven in de aquarel schildertechniek, die ik eigenlijk nog tot op heden gebruik. De laatste jaren komen er geen boeken meer van haar uit, wat ik heel jammer vind. Op dit moment kan ik ook erg genieten van een groep illustratoren die ons allen wel bekend is. Ik ga geen namen noemen, want daar doe ik anderen weer mee te kort, maar ze maken op dit moment de meest opvallende en mooiste boeken in prentenboekenland.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik heb op dit moment van schrijven inderdaad een nieuw idee in mijn hoofd. Als het goed gaat en wordt goedgekeurd door de uitgever, dan wil ik daar na de zomer aan beginnen. Ik kan niet te veel verklappen, maar waarschijnlijk wordt het weer tekstloos (zoals Eiland) en het thema is Monsters. Ergens in 2019 komt het dan uit. Spannend!!!!

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren (van prentenboeken)?

Ja, dat heb ik wel; soms moet je jezelf meer tijd gunnen. Prentenboeken zijn geweldig om te maken, maar als je gevoel zegt, dat je nog niet het onderste uit de kan kunt halen; wacht dan gewoon nog even. Je hoeft niet meteen in de Champions League uit te komen; probeer eerst in een klasse er onder de top te halen!

Ik ben een hele trage leerling geweest; maar liefst 18 jaar heeft het geduurd voordat de tijd er rijp voor was. In de tussentijd had ik ook bepaald niet stil gezeten; ik maakte hele goede illustraties voor talloze kinderboeken, voor schoolboeken en een hoop andere projecten. Het gaf in 2016 wel de basis om meteen heel goed te debuteren en dat is ook wat waard!

Wil meer weten over Mark Janssen en zijn werk? Neem dan eens een kijkje op zijn eigen website.

 

Interview Marianne Busser en Ron Schröder

Dag Marianne en Ron, welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Het klinkt misschien raar, maar al onze boeken zijn ons even dierbaar. Het ene verhaal komt beter uit de verf als prentenboek, terwijl een ander verhaal beter in een bundel met verschillende verhalen tot zijn recht komt. Prentenboeken onderscheiden zich vooral door de meer prominente rol van de illustraties. Maar zonder een goed verhaal kun je natuurlijk ook geen boeiend prentenboek maken.

Marianne Busser en Ron Schröder
Marianne Busser en Ron Schröder (foto Emiel Ypma)
 Hoe gaan jullie je te werk bij het schrijven van een prentenboek?

Af en toe gaan we samen ‘ideeën bedenken’ voor nieuwe boeken. Wijntje, hapjes, en aan de slag. Als we een aantal ideeën hebben bedacht, leggen we die voor aan één van onze uitgevers. Als we groen licht krijgen, gaan we aan het werk. We praten samen in grote lijnen  het verloop van het verhaal door. Vervolgens gaat één van ons beginnen. De ander werkt dan verder aan een ander boek. We werken soms wel aan vier boeken tegelijk. Later wisselen we om en uiteindelijk gaan we met z’n tweetjes achter de computer zitten om de puntjes op de i te zetten.

 Jullie hebben al heel wat prentenboeken geschreven. Hoe zorgen jullie er voor dat ieder boek toch weer uniek en verrassend is?

Tja, dat weten we ook niet precies. In feite maken we wat we zelf ook leuk vinden. We zijn doorlopend op zoek naar nieuwe ideetjes, maar dat gaat inmiddels bijna vanzelf. Er liggen ook altijd bloknootjes naast ons bed; je weet tenslotte maar nooit wat je ineens te binnen schiet! Ook tijdens onze vakanties willen de ideeën nogal eens opborrelen.

Aan welk prentenboek bewaren jullie de beste (of leuke) herinneringen / op welke zijn jullie het meest trots?

De prentenboeken van muis en egel, die gebundeld zijn in “De mooiste verhalen van muis en egel” zullen altijd een bijzondere plek in blijven nemen. Maar ook “De kleine engel die geluk bracht” van Mark Jansen is ons erg dierbaar. Op dit moment zijn we bijvoorbeeld heel erg blij met “Het dikke dierenboek”, vol met prachtige platen over allerlei dierentuindieren. Dat boek hebben Ivan Lodde en Ilia Frins van tekeningen voorzien. Ze maken eigenlijk alleen maar mooie dingen.

De mooiste verhalen van muis en egel

Hebben jullie zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jullie favorieten?

De prentenboeken van Max Velthuijs en bijvoorbeeld de boeken van Mariken Jongman en Irene Goede over Wasbeer en Otter vinden we erg leuk. Die prentenboeken springen eruit omdat ze niet alleen prachtige tekeningen, maar er ook een goed verhaal in wordt verteld. En dat laatste missen we nog wel eens in prentenboeken.

Zijn jullie momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kunnen jullie al een tipje van de sluier oplichten?

We zijn momenteel bezig met een aantal nieuwe prentenboeken. Zo komt er een nieuw prentenboek samen met Sam Loman (“De kikkertjes gaan naar school”) en een nieuw deel in de winkeltjesreeks met Ingrid ter Koele (“Het feestwinkeltje”) en ook een nieuw deel in de poepfabriek-reeks (“De drollendraaier”) met Ivan en Ilia. Maar dat zijn er dan nog maar een paar van een lange ‘to do list’.

Voor een nieuw boek zijn jullie in samenwerking met uitgeverij Unieboek / Spectrum op zoek naar een illustrator. Waarom doen jullie dat middels een “open sollicitatie”/ winactie? En waar gaan jullie goed op letten bij het ingezonden werk?  

De ‘wedstrijd’ is bedacht om uiteindelijk iemand een kans te geven. Wij hebben zelf ook ontzettend moeten ploeteren om te bereiken wat we nu bereikt hebben. We mogen al jaren werken met talloze top illustratoren, zoals Dagmar Stam, Ivan en Ilia, Mark Jansen, Alex de Wolf, Ingrid ter Koele en Eefje Kuijl. Toch moeten er ook heel goede illustratoren zijn die simpelweg nog niet aan de bak gekomen zijn. Zo iemand hopen wij nu te vinden.

En waar wij op zullen letten? Het belangrijkste is dat iemands tekeningen bij ons werk passen. Maar de tekeningen moeten ook technisch kloppen. Iemand kan misschien een schattig beertje tekenen, maar kan iemand datzelfde beertje dan óók tekenen als hij een koprol maakt of in een sloot springt? En natuurlijk zal ook de uitgeverij bekijken of de tekeningen een groot publiek zullen aanspreken.

Meer informatie over de winactie vind je hier.

Hebben jullie tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren en schrijvers (van prentenboeken)?

Houd er altijd rekening mee dat uitgeverijen bedolven worden onder de manuscripten en vele tekeningen van beginnende schrijvers en illustratoren. Stuur dus alleen iets op wat (in jouw ogen) echt helemaal perfect is. En het allerbelangrijkste is: geef nóóit op, en luister heel goed naar alle kritiek die je kunt krijgen. Je kunt die kritiek tenslotte altijd nog naast je neerleggen!

Wil je meer weten over Marianne Busser en Ron Schröder en hun werk neem dan eens kijkje op hun website.


Interview Harriët van Reek

Dag Harriët van Reek! Nog gefeliciteerd met de het winnen van het gouden penseel voor “Lettersoep”! Kun je wat vertellen over hoe “Lettersoep” tot stand is gekomen?

Ik wilde iets doen met letters en met verbeelding. In een verhaal en tekening ben je vrij
om te doen wat je wilt. Letterel, de hoofdfiguur, een fantast geobsedeerd door letters,
vertaalt alles wat hij denkt en ziet naar letters.

Harriet van Reek in haar atelier in Callossa
Harriët van Reek in haar atelier in Callossa

Voordat Letterel en letterpoes er echt waren, waren er nog 2 andere versies, waarvan de eerste begon met een heel arm mannetje dat helemaal niks te eten had en in zijn fantasie kruipt om zijn armzalige leven kleur te geven.

Vanaf het allereerste idee tot het inleveren ben ik er zo’n 2 a 3 jaar bezig mee geweest.

Eerder maakte je het prentenboek “Letterdromen met Do”. Wat heb je met letters?

Letters zijn een soort wezens, die recht overeind staan. En dus ook zelf iets kunnen zeggen en zijn. Net als een personage eigenlijk.

Welke plek hebben prentenboeken in jouw oeuvre?

Ik heb 7 boeken gemaakt, ongeveer iedere vijf jaar een prentenboek.

  • De Avonturen van Lena lena. Daar is ook een app van, met animaties, leuke
    kriebelgeluidjes en vertelstemmen in het Deens, heel grappig!, het Japans, Engels
    en..Nederlands.
  • Het bergje Spek;
  • Henkelman, ons Henkelmannetje;
  • Bokje;
  • Letterdromen met Do;
  • Edith & Egon Schiele;
  • Lettersoep.

Ik heb naast prentenboeken beeldende theatervoorstellingen gemaakt, poppenkast voor
televisie, performances en ben beeldend kunstenaar. Het maken van een boek doe ik als het opkomt, als er iets verteld moet worden. En dat gaat heel rustig. Als het plan concreet wordt, laat ik het andere werk liggen en neem ik er alle tijd voor. Dat duurt ongeveer een half jaar.

Wording van een illustratie uit Lettersoep, Harriët van Reek,
Wording van een illustratie uit Lettersoep, Harriët van Reek, 2016, Querido
Hoe ga je te werk bij het maken van een prentenboek?

Het begint met wat schetsjes en zinnen in een schriftje. Dat doe ik ongeveer een jaar
en dan ga ik dat tekenen, verbeteren, veranderen of ik begin zelfs helemaal opnieuw.
Dus tijdens het schetsen en tekenen kristalliseert het idee. Dan ga ik het echt
afmaken.

In de tekst verandert er nog veel. Het wordt steeds soberder, er valt steeds meer af,
zo ook bij de tekeningen. Ik zoek naar een essentie en al de rest moet weg.

Heel veel overdoen, opnieuw doen, net zo lang tot het ook een week of 2 later nog
mijn goedkeuring heeft.

Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut?

Nee, eigenlijk niet. Het zijn altijd eerst schriftjes met tekeningen en zinnen/verhaaltjes
die ik daarna ga uitwerken. Maar ik ben wel bedachtzamer en preciezer geworden.
Jammer vind ik dat.

illustratie uit Lettersoep, Harriët van Reek, Wording van een illustratie uit Lettersoep, Harriët van Reek,
Wording van een illustratie uit Lettersoep, Harriët van Reek, 2016, Querido
Wat zijn echte leermomenten geweest?

Ieder boek is wel een leermoment, omdat je altijd beter, anders wilt. Maar wat ik interessant vond is om te werken met een opdracht. Edith & Egon Schiele,
in opdracht van uitgeverij Leopold en het Gemeentemuseum Den Haag. Dat moest in
korte tijd af en dat vond ik wel een uitdaging. Ik heb me daar teveel geconformeerd.
Een volgende keer weet ik dat ik moet doen wat ik zelf wil: vrijheid durven pakken.
En juist dat is gek genoeg steeds moeilijker…. Vrijheid voelen en vinden!

Hoe vind je het om zelf de tekst te schrijven?

Ik vind het bij elkaar horen, tekst en tekenen. Ik houd erg van het schrijven, meer dan van het tekenen. Het heerlijke gepuzzel en geschuif met zinnen en woorden, de invallen, het gestreep, het weggooien. De worsteling om de letters in het gareel te krijgen.

Wat zijn jouw favoriete materialen om te illustreren?

Op dit moment aquarel en kleurpotlood. Vanwege de kleuren. Ik houd ervan het materiaal te voelen, hoe de penseelharen buigen en het potlood weerstand biedt. Ik houd ook van het papier. Ik werk ook in de computer, photoshop en TV paint, heel fijn om in te tekenen, maar uiteindelijk wordt het handwerk.

Waar moet je op letten bij het gebruik van deze materialen?

Gebruik goed en mooi papier en goede materialen. Geen goedkope, ik bedoel materialen van slechte kwaliteit. Goed en fijn materiaal loont zich.

Aan welk boek, auteur en/of uitgeverij bewaar je de beste (of leuke) herinneringen en op welke ben je het meest trots?

Mijn eerste boek “De Avonturen van Lena Lena”, omdat het een enorme verrassing was dat het de Gouden Griffel kreeg. Ik wist niet eens dat die bestond ☺

illustratie uit De Avonturen van Lena lena
illustratie uit De Avonturen van Lena lena, Harriët van Reek, 1996, Singel Uitgevers
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Op dit moment ben ik weg van de ‘kinder’ boeken van de kunstenaar/illustrator Jockum
Nordstrom, van ATAK, Paul Cox, Nigel Peake en Hok Tak Yeung met zijn graphic novel
Qu’elle était bleue ma vallée.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik heb samen met Geerten ten Bosch een boek gemaakt. De titel is “Ei!Ei!” en het is een jubileumboek. Wij werken al samen vanaf 1987. Onze eerste gezamenlijke productie was een poppenkast-serie voor de VPRO kindertelevisie. Het boek gaat over de wonderlijke reizen van twee eieren en een poppenkast.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende auteurs en illustratoren (van prentenboeken)?

Doe vooral wat je zelf wil maken en laat je niet leiden door de markt.

Wil je meer weten over Harriët van Reek en haar werk? Neem dan eens een kijkje op haar website.