Categoriearchief: Interviews

In deze categorie komen interviews met onder meer schrijvers, illustratoren en uitgevers van prentenboeken

Interview Rian Visser

Rian Visser
Rian Visser

Rian Visser is een echte duizendpoot. Ze heeft meer dan 80 kinder- en prentenboeken geschreven voor verschillende leeftijden. Ze is tevens grafisch vormgeefster. Ze heeft bordspellen bedacht. Ze ontwikkelt met haar bedrijf books2download kinderboeken apps en geeft e-books uit. Ze maakt tevens digibordlessen, geeft workshops en bezoekt scholen. Daarnaast houdt ze nog actief haar eigen blog bij (rianvisser.nl).

 

Dag Rian, je hebt nogal wat bezigheden, wat ga je in 2016 allemaal ondernemen?

Eerlijk gezegd weet ik dat niet. Ik ben geen planner en ik houd mijn agenda het liefst zo leeg mogelijk. Wanneer ik ’s ochtends opsta pak ik aan waar ik het meeste zin in heb. Dat werkt voor mij het meest effectief. Grote projecten pak ik meestal aan door kleine stapjes vooruit te zetten.

Je hebt zowel informatieve prentenboeken (AVI-boekjes) geschreven als meer “reguliere” prentenboeken. Kun je aangeven waar voor jou het verschil in zit?

Een goed prentenboek verhaal moet je te binnen schieten. Het draait vaak om een leuke vondst en het is moeilijk om daarvoor speciaal te gaan zitten. Nippertje heb ik ooit spontaan bedacht tijdens het tanden poetsen, toen mijn zoon te laat op school dreigde te komen. Timo en het toverstokje heb ik bedacht toen mijn zoon een goocheldoos cadeau kreeg. Op dat soort momenten was ik helemaal niet van plan een prentenboek te schrijven.

Nippertje, Rian Visser en Noëlle Smit, Gottmer, 2008
Nippertje, Rian Visser en Noëlle Smit, Gottmer, 2008

 

Timo en het toverstokje, Rian Visser en Klaas Verplancke, books2download, 2013
Timo en het toverstokje, Rian Visser en Klaas Verplancke, books2download, 2013

Andere prentenboeken zoals Plets, plets, plats! en Een superslee! zijn in opdracht geschreven. Dan loop ik een tijd rond met het thema in mijn hoofd en probeer in gedachten verschillende verhalen uit. Soms ga ik al schrijven, voordat het idee af is, maar dan wordt het niks. Er moet eerst in mijn hoofd iets verrassends gebeuren, iets waar ik enthousiast over wordt. Daarna schrijf ik het verhaal redelijk snel neer.

AVI-boekjes schrijven is een heel andere tak van sport. Dat is eindeloos puzzelen. Vooral bij AVI start moet je heel goed rekening houden met alle woorden die nog niet mogen.

Hoe ga jij te werk bij het schrijven van een prentenboek?

Prentenboeken beginnen bij mij met het verhaal. Zodra ik dat bedacht heb, schrijf ik het op en verdeel ik de tekst meteen over twaalf dubbele pagina’s: de omvang van het boek. Daarna schrijf ik er illustratie-instructies bij. Zo kan ik goed zien hoe de actie per pagina is. Gebeurt er genoeg en is het beeld afwisselend? Daarna lees ik de tekst nog een aantal keer hardop, want pas dan hoor ik of de tekst goed klinkt.

Wanneer de uitgever tevreden is met het verhaal, wordt er een illustrator bij gezocht. Deze maakt schetsen die ik in de opmaak zet. In dit stadium pas ik vaak de tekst nog wat aan om goed bij het beeld aan te sluiten. Bij De wedstrijd van Schildpad en Haas was meteen bekend dat het boek ook een app en animatie zou worden. In de app zouden de linker- en rechterpagina niet tegelijk maar na elkaar in beeld komen. We hielden daar bij het papieren boek al rekening mee.

De wedstrijd van schildpad en haas, Rian Visser en Tineke Meirink, Zwijsen, 2013
De wedstrijd van schildpad en haas, Rian Visser en Tineke Meirink, Zwijsen, 2013
Je bent ook grafisch vormgeefster. Toch illustreer je bijna nooit de (prenten)boeken die zelf hebt geschreven. Is dat een bewuste keuze?

Grafische vormgeving is niet hetzelfde als illustreren. Ik deed op de Kunstacademie eerst wel het vak Illustratief, maar ben overgestapt naar grafische vormgeving. Ik kan aardig tekenen, maar ik heb geen goede stijl voor kinderboeken.

Met books2download ben je een van de eerste die kinderboeken en prentenboeken als e-book uitgeeft en apps ontwikkeld. Hoe en waarom ben je hieraan begonnen?

Met apps kun je animatie, geluid en interactie toevoegen aan het verhaal. Ik vind dat inhoudelijk heel interessant. Kinderen kunnen zelf het verhaal in beweging zetten. Voor ouders die niet goed Nederlands spreken zijn digitale kinderboeken erg handig, omdat er een voorleesstem in zit. Voor eerste lezers kun je geluid aan een AVI-boekje toevoegen. Ik heb daarom met veel verschillende apps en e-boeken geëxperimenteerd.

de prentenboek app "Timo en het toverboek"
de prentenboek app “Timo en het toverboek”

de prentenboek app "Timo en het toverstokje"
de prentenboek app “Timo en het toverstokje”
Waar zit voor jou het verschil tussen een e-book en een app?

In een app is veel meer mogelijk dan in een e-boek, omdat een app geprogrammeerd is. Je kunt alles laten maken en animeren zoals je het wilt. Dit is wel heel duur, dus veel apps worden met een template-achtige software gemaakt, waarbij de mogelijkheden beperkter zijn. Er is ook software om zelf apps te maken, zonder te hoeven programmeren. Deze apps zijn eenvoudiger en lijken meer op een e-boeken.

Wanneer een app echter geen functionaliteit bevat die niet ook mogelijk is in een verrijkt e-boek, wordt de app in de App Store geweigerd. Toch maak ik een digitaal kinderboek liever als app dan als e-boek. Een groot voordeel van een app boven een e-boek is de vindbaarheid. De app krijgt ook een eigen icon op de telefoon of tablet, terwijl het e-boek alleen in een andere app te vinden is. Voor e-boeken zijn klanten soms wel weer bereid meer geld uit te geven.

Download de app Timo en het toverboek
Download de app Timo en het toverboek
Is het ontwikkelen van een app (van een prentenboek) niet erg kostbaar? Je moet animeren, programmeren, audio opnemen etc.

Ja, het is erg kostbaar en tijdrovend. Voor een geprogrammeerde app met geluid en animaties moet je al gauw een budget van € 10.000 euro hebben. Apps kunnen in de winkel niet duur zijn, want dan koopt niemand ze. Veel mensen downloaden sowieso alleen gratis apps. Van de prijs van een app draag je ook nog eens 30% af aan Apple of Google. Apps zijn daarom zelden winstgevend.

Is het ontwikkelen van app van een prentenboek of kinderboek commercieel interessant?

Ik heb wel winstgevende apps kunnen maken door veel zelf te doen, bestaand materiaal te hergebruiken en veel aan promotie te doen. Die promotie stopt nooit: je moet apps doorlopend onder de aandacht blijven brengen. Ik heb ook apps gemaakt die voor de gebruiker gratis zijn, maar die gesponsord zijn door een instituut. Op die manier zijn de kosten van het maken van de apps gedekt. Zoeken naar sponsors is wel erg tijdrovend en lastig.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken en/of prentenboeken-apps?

Mijn app Timo en het toverboek is al 5 jaar oud, maar is nog steeds een van de meest geavanceerde en grappige Nederlandstalige prentenboek-apps. Het is altijd een groot succes als ik hem vertoon voor een groep. Hij is ook internationaal genomineerd voor de Bologna Ragazzi Award. De app Timo en het toverstokje is betaald door het Nederlands Jeugdinstituut en is daarom gratis. Ook deze app laat ik vaak zien, want het is heel fijn dat zo veel ouders en kinderen gratis kunnen kennismaken met digitale prentenboeken en het verhaal wordt zowel door jonge als oudere kinderen gewaardeerd.

het lettercircus
Het lettercircus

Pigmentus
Pigmentus

appie en opa
appie en opa

Zacht zijn de wolken is een mooie poëzie-app, die ik heb kunnen maken door subsidie van het Nederlands Letterenfonds. “Het lettercircus”, “Daans reis om de wereld”, “Pigmentus, de kleurentovenaar”, “Appie en opa” en “Waar kom ik vandaan?” zijn vijf heel verschillende apps die ik zelf gemaakt hebt met het programma InDesign en FolioBuilder. Daardoor kon ik de kosten laag houden. De app “Nippertje” heb ik niet zelf gemaakt, maar dit boek is wel mijn favoriete prentenboek. Hoewel ik “Drie dappere paardjes”, “Het boekenfeest” en “Hieper” ook leuk vindt. Van andere schrijvers lees ik graag “Stap maar op mijn bezemsteel”, dat is vertaald door Bette Westera.

Ben je momenteel bezig aan een nieuw prentenboek en/of app? Zo ja, kun je een tipje van de sluier oplichten?

Ik ben met verschillende boeken bezig, maar daar zitten geen prentenboeken en apps tussen. Het laatste digitale boek dat ik gemaakt heb is de poëziebundel “Wil jij met mij?”, met liefdesgedichten voor pubers. Dit was eerst een papieren boek, maar was niet meer leverbaar. Ik heb er een fixed layout e-boek van gemaakt. Zo’n e-boek met een vaste layout is ook heel geschikt voor prentenboeken, maar is helaas niet op elke e-reader te lezen. De iPad is er het meest geschikt voor en ik verkoop deze e-boeken daarom alleen in de iBooks Store.

Pagina uit het e-book "Wil jij met mij?" van Rian Visser en Annet Schaap
Pagina uit het e-book “Wil jij met mij?” van Rian Visser en Annet Schaap
Heeft Rian Visser tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers (van prentenboeken) of makers van prentenboek/kinderboeken apps?

Mijn ervaring is dat het uitbrengen van een prentenboek de laatste jaren moeilijker geworden is. Uitgevers zijn erg voorzichtig. Misschien komt er weer een betere tijd aan, want de verkoop van boeken schijnt weer aan te trekken. Uitgeven in eigen beheer moet je vooral doen voor het plezier dat je eraan hebt, niet om er rijk van te worden. Ook wanneer je het lukt om bij een gerenommeerde uitgeverij te publiceren zal je van 5% royalty’s niet snel rijk worden. Laat je echter niet ontmoedigen en volg je dromen!

Interview Sandra Klaassen

In maart 2015 verscheen “Peg the little sheepdog” van Sandra Klaassen. Waar gaat dit prentenboek over en komt hier ook een Nederlandse vertaling van?
Sandra Klaassen
Sandra Klaassen

Peg the little sheepdog’ gaat over een jonge Border Collie die niet geschikt is als boerderij hond. Ze komt in een gezin terecht maar omdat ze haar eerste levensjaar voornamelijk buiten heeft doorgebracht weet ze niet hoe ze zich moet gedragen in huis, binnen een gezin. Met de liefde voor Peg, veel geduld van de kinderen en Peg’s lieve karakter komt alles goed. Het boek is uitgegeven door een Schotse uitgeverij. Ik weet nog niet of er een Nederlandse vertaling komt, maar dat zou natuurlijk erg leuk zijn.

Hoe vind je het om zelf de tekst te schrijven?

Hoewel ik echt een illustrator ben en geen schrijver heb ik dit verhaal zelf geschreven omdat het echt gebeurd is.  Ik heb het zelf meegemaakt. De kinderen in het boek zijn mijn kinderen. Net zoals in het boek ‘Uan the little lamb’ (Lammetje). Ook dat hebben we zelf meegemaakt op het afgelegen Schotse eiland Uist waar ik woonde. Het voelt fijn om tekst en illustraties in eigen hand te hebben. Leermomenten waren er zeker. Je moet je continu afvragen wat je wil vertellen in woord en wat wil je uitdrukken in beeld? Welk gevoel wil ik oproepen en hoe verbeeld ik dat? Het is een lang proces en in het begin is er heel veel
tekst en zijn er veel illustratie ideeën. Maar je gaat steeds meer schrappen. Tot er een sterke verhaallijn overblijft in woord en beeld. Een andere moeilijkheid vond ik om in het Engels te schrijven omdat het niet mijn moedertaal is. Maar daar hielp mijn editor van de uitgeverij bij.

Hoeveel prentenboeken heb je eigenlijk gemaakt en wat maakt voor jou een prentenboek anders dan een kinderboek?

Ik heb inmiddels meer dan honderd kinderboeken mogen illustreren. Maar hoeveel prentenboeken? Ik denk ongeveer 15.

Prentenboeken zijn over het algemeen voor hele jonge kinderen. Vaak betekent dat weinig (of geen) tekst, de illustraties verbeelden het verhaal. Er is veel ruimte voor illustraties, op elke pagina. Een prentenboek is beeldbepalend. Anders dan bijvoorbeeld een boek met voorleesverhalen. Daarin vullen ( en ondersteunen) de illustraties de tekst aan. Het verbeeldt een situatie. Zeker zo belangrijk trouwens.

Illustratie van Sandra Klaassen voor "Vos doet dom
Illustratie van Sandra Klaassen voor “Vos doet dom”, auteur Isabel Versteeg, Zwijsen, 2014
Je hebt lang in Schotland gewoond. Is het makkelijker om in het Verenigd Koninkrijk een prentenboek uit te geven dan in Nederland?

Ik heb lang in Schotland gewoond en kom er nog vaak vanwege mijn kinderen die daar zijn blijven wonen. Ik heb niet de ervaring dat het makkelijker is om in de UK een boek uit te geven. Natuurlijk is het Verenigd Koninkrijk vele malen groter dan Nederland maar er worden dan ook wel ontzettend veel prentenboeken uitgegeven. Een verschil is wel dat in het Verenigd Koninkrijk de (prenten) boeken bijna altijd in paperback worden uitgegeven in tegenstelling tot Nederland (harde kaft). Een ander verschil is dat een prentenboek in het Verenigd Koninkrijk meestal uit 32 pagina’s bestaat terwijl dat in Nederland (meestal) 24 pagina’s zijn.

Hoe ga je te werk bij het maken van de illustraties?

Mijn werkproces begint met ideeën. Ik schrijf van alles op, maak heel veel notities. Ik struin door al mijn knipsels en aantekeningen. Ik maak een storyboard zodat het geheel wat overzichtelijker wordt. En ik maak altijd heel veel schetsen (in stift). Ik knip ze uit, plak ze op, verplaats ze op de pagina, vergroot of verklein ze. Het zoeken van de goede compositie is erg belangrijk. En het kan een enorme worsteling zijn, en soms zelfs frustrerend, om tot een resultaat te komen waar je uiteindelijk tevreden over bent. Ik denk niet dat mijn werkproces in al die jaren echt veranderd is. Maar natuurlijk vindt er wel een ontwikkeling in je werk plaats. Mijn werk is rustiger geworden.Van elk nieuw boek leer je en is een ervaring rijker.

Schetsen voor "Sep the little sheepdog", Sandra Klaassen, 2015, Floris Books
Schetsen voor “Peg the little sheepdog”, Sandra Klaassen, 2015, Floris Books
Wat zijn jouw favoriete materialen en technieken om te illustreren?

Ik werk het liefst met aquarelverf, pen en inkt voor mijn illustraties. Na vaak geëxperimenteerd te hebben met andere media voel ik mij het meest vertrouwd met deze materialen. Aquarelverf kun je laag over laag opbouwen terwijl het transparant blijft. De gevoeligheid die ik probeer aan te brengen in mijn werk lukt me het beste met deze verfsoort. Het past bij me.

Waar moet je op letten bij het gebruik van deze materialen en  technieken?

Bij grote vlakken is het wel eens lastig om een egale tint te verkrijgen omdat aquarelverf nogal eens opdroogt met ‘randen’.

Illustratie van Sandra Klaassen voor "Een jasje voor klein konijn". auteur Rindert Kromhout, Nederlands Jeugdinstituut, 2015
Illustratie van Sandra Klaassen voor “Een jasje voor klein konijn”. auteur Rindert Kromhout, Nederlands Jeugdinstituut, 2015
Je hebt voor heel veel auteurs en uitgeverijen kinderboeken geïllustreerd. Aan welk boek, auteur en/of uitgeverij bewaar je de beste (of leuke) herinneringen en op welke ben je het meest trots?

De boeken ‘De hele wereld rond’, ‘Vuurvliegjes..’, ‘Zeemeerminnen..’, (Lemniscaat) waren heel fijn om te illustreren. Ik hou erg van sprookjes en volksverhalen.

Aan ‘Ik wou dat ik anders was’ van Paul Biegel bewaar ik veel goede herinneringen. Het verhaal sprak me enorm aan, het is altijd een favoriet gebleven. Ik heb nog steeds de brief die Paul Biegel me stuurde waarin hij schreef erg blij te zijn met mijn illustraties.

Eerder dit jaar is van Rindert Kromhout het prentenboek ‘Een jasje voor klein konijn’ verschenen. Hij gaf me totale vrijheid om het te illustreren en het vertrouwen dat ik daarmee kreeg was heel bijzonder. Het was een ontzettend fijn boek om aan te werken.

Natuurlijk zijn de boeken ‘Uan the little lamb’ en ‘Peg the little sheepdog’ me erg dierbaar omdat het mijn eigen belevenissen zijn.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Ik verzamel al jaren kinderboeken. Te moeilijk hoor om een paar favorieten te noemen want er is zoveel moois. Van Beatrix Potter tot Kveta Pacovska en van William Steig tot Carll Cneut. Thé Tjong-Khing: altijd fantastisch! Zijn werk zit zo goed in elkaar.

Armando’s ‘De prinses met de dikke bips’ is één van mijn lievelingsboeken. Zó grappig geschreven en prachtig geïllustreerd door Susanne Janssen.

En ik vind Elle van Lieshout & Erik van Os zeer goede schrijvers. Verfijnd, en met weinig woorden veel kunnen zeggen. Dat is knap.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Momenteel ben ik bezig met een nieuw prentenboek voor mijn Schotse uitgeverij. Het is nog helemaal in de beginfase. Ideeën, het bedenken van de verhaallijn etc. In ieder geval wordt het wel weer een eiland verhaal.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren (van prentenboeken)?

Probeer uit te vinden waar je kracht ligt. En vooral heel veel kijken en tekenen. Uit alles wat er om je heen gaande is kun je inspiratie halen.

Wil je meer weten over Sandra Klaassen en haar werk als illustrator? Neem dan eens een kijkje op haar eigen website.

Prentenboek debuut – De Zonnebloem

Hanneke Frenken met haar debuut prentenboek De Zonnebloem
Hanneke Frenken

Hanneke Frenken heeft met “De Zonnebloem” haar debuut gemaakt als prentenboek auteur en illustrator. De zonnebloem is een prentenboek dat aan kinderen laat zien hoe uit een klein zaadje een grote, sterke bloem groeit en wat die bloem allemaal nodig heeft om te kunnen groeien. Er komen een aantal thema’s aan bod, zoals de natuur, de levenscyclus van een bloem, vriendschap, maar ook dood en afscheid nemen. Het boek is uitgegeven door Graviant educatieve uitgaven en is bij diverse boekwinkels te bestellen. Prentenboek.nl sprak met Hanneke over haar debuut en haar leermomenten.

Hoe is je debuut prentenboek “De Zonnebloem” tot stand gekomen?

In 2013 ben ik met mijn vriend en een paar anderen in Italië op vakantie geweest. We reden langs grote velden vol zonnebloemen. Dat vond ik ongelooflijk mooi om te zien. Het leek net of al die bloemen lachten en wuifden.

De zonnebloem is sowieso mijn lievelingsbloem. Elk jaar plant ik er een aantal in de tuin. Op een dag viel het me op dat de bloemen ‘bezoek’ kregen van allerlei dieren, als bijen, hommels, vlinders en lieveheersbeestjes. Na een tijdje gebloeid te hebben gaat de bloem dood, maar laat zonnebloempitjes achter voor het volgende jaar.

Net in die tijd heb ik afscheid moeten nemen van twee mensen die me nabij stonden.
Al deze dingen waren voor mij inspiratie tot het schrijven van dit boekje.

Illustratie uit het prentenboek debuut van Hanneke Frenken - De Zonnebloem
Illustratie uit het prentenboek debuut van Hanneke Frenken – De Zonnebloem- 2015 – Graviant
Hoe ben je te werk gegaan qua illustraties en tekst?

Vlak nadat we uit Italië terug waren maakte ik een soort schets van het verhaal van de Zonnebloem. Enkele weken later las ik die schets nog eens over en ik verbeterde er wat dingetjes aan. Zo werd het verhaal stukje bij beetje bijgeschaafd. Soms verzon ik er iets bij, soms liet ik stukjes weg. De tekst wilde ik graag eenvoudig en kort houden. Ik heb geprobeerd om er een stukje gevoel in te leggen, zonder het meteen te zwaar te maken.

Tekenen en schrijven zijn altijd hobby’s van mij geweest. Al van kinds af aan schreef ik korte verhaaltjes voor anderen en maakte er tekeningen bij. Wel vond ik dat ik moest leren om echt professioneel te illustreren. Daarom ben ik een cursus gaan volgen. Op die cursus leerde ik met aquarelpotlood en aquarelverf werken. Deze materialen vond ik geschikt voor dit verhaal, omdat ze zacht overkomen op het papier. Ik heb geprobeerd om een lieflijke sfeer te scheppen, zonder het oubollig te laten lijken. Soms was het wel een beetje zoeken om een middenweg te vinden. Ook heb ik besloten om de illustraties niet te moeilijk te maken en zoveel mogelijk alleen te tekenen wat de tekst omschreef, zodat er voor hele jonge kinderen, of kinderen met autisme niet te veel afleidende elementen te zien zijn.

Pagina uit De Zonnebloem - Hanneke Frenken - Graviant - 2015
Pagina uit De Zonnebloem – Hanneke Frenken – Graviant – 2015
Welke weg heb je bewandeld voordat De Zonnebloem werd uitgegeven?

Ik heb een aantal uitgeverijen benaderd die gespecialiseerd zijn in kinderboeken en prentenboeken. De uitgeverijen heb ik via Google gevonden (tip: uitgeverijen prentenboeken) . Een kennis van me heeft de illustraties professioneel ingescand. Mijn werk heb ik digitaal doorgestuurd.

Van Graviant Educatieve Uitgaven kreeg ik vrijwel meteen bericht (volgens mij binnen een week). Van de andere uitgeverijen heb ik ook allemaal een reactie gehad. Sommige vonden mijn werk niet in hun assortiment passen en andere zouden het fijn vinden wanneer ik ze per post een manuscript toestuurde. Dat was gelukkig niet meer nodig, want Graviant had al toegezegd.

Heb je nog veel moeten aanpassen?

Eigenlijk niet echt. Ik heb alleen een extra illustratie bij moeten maken. Dat is de illustratie met de vogel en de blauwe lucht. Dat moest, omdat alles dan beter uitkwam qua tekst en pagina indeling. Ook had ik al een idee voor een pagina indeling. Bij de uitgeverij hadden ze andere ideeën en de meeste dingen die ze voorstelden vond ik zelf ook mooier. We hebben overlegd en over het resultaat ben ik heel tevreden.

Wat zijn jouw leermomenten geweest?

De tekst schreef ik in de zomer van 2013 toen we terugkwamen van de vakantie in Italië.
Om de paar maanden las ik hem over en telkens bedacht ik nieuwe zinnetjes, of dingen die
aangepast moesten worden. Ik vind het heel belangrijk dat iets voor kinderen begrijpelijk
blijft. Daarnaast probeerde ik om een bepaalde sfeer te scheppen. Ik denk dat dat iets is
wat je niet meteen kunt, maar wat een proces is dat een bepaalde tijd in beslag neemt.
Telkens zie en bedenk je je weer andere dingen. In eerste instantie dacht ik: Zo, dit is mijn
verhaal en zo blijft het. Niet dus, er is heel veel veranderd.

Wat ik vooral heb geleerd is het omgaan met aquarelverf en aquarelpotlood. Hiervoor heb ik een speciale cursus gevolgd van één vrijdagmiddag per maand en dat was mega interessant! Toen ik met het boek begon had ik amper met deze spullen gewerkt. Het enige dat ik kende was kleurpotlood, stiften en Oost-Indische inkt. In de loop der maanden heb ik heel veel uitgeprobeerd. Soms hield ik er een mooie plaat aan over, soms was het beter om het werkje maar meteen weg te gooien.

Om dieren te leren schilderen heb ik via Google Images foto’s opgezocht van verschillende
dieren en geprobeerd om die op een “schattige” manier na te tekenen. Soms was dat best een uitdaging. Met een konijn gaat dat wel, maar een mier is echt een klein monster van dichtbij. Na twee jaar was mijn boekje klaar. Ik heb alle illustraties professioneel in laten scannen door een kennis. Omdat ik eigenlijk heel nieuwsgierig was en een idee wilde hebben van hoe het geheel er in een boek uitzag heb ik de illustraties en tekst in een fotoboek gezet en uit laten printen bij de Hema.

Mijn fotoboek heb ik aan familie en vrienden laten zien. Iedereen was enthousiast en dat
maakte dat ik de stap naar uitgave durfde te zetten.

Waar moet je op letten bij het gebruik van aquarelverf en -potlood?
Werken met aquarelverf
Werken met aquarelverf

Wanneer je met aquarelverf te veel over je papier gaat, of iets te ruw probeert om iets weg te poetsen met een stukje keukenrol gaat je papier helemaal stuk. Ook is het bij aquarelpotlood een beetje lastig om nog iets te verbeteren wanneer je je tekening eenmaal hebt staan. De oogjes en de mondjes van de poppetjes tekende ik als laatste met een zwarte pen. Een enkele keer is het voorgekomen dat mijn figuurtje nog niet helemaal droog was. Het gevolg was dat alles helemaal uitliep. Daar viel niks meer aan te verbeteren en ik kon helemaal opnieuw beginnen.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

De Nijntje-serie van Dick Bruna vind ik heel leuk. De verhaaltjes gaan over dagelijkse dingen en zijn eenvoudig, op rijm verteld. Ook maakte Dick Bruna alleen gebruik van een aantal basiskleuren en hele eenvoudige vormen. Ik denk dat dat juist de kracht is van zijn werk.

Ook Eric Carle vind ik heel goed. Zijn tekeningen zijn een soort kleurrijke collages en gaan meestal over dieren en natuur. Ze zijn heel leerzaam. Ik heb aan heel veel kinderen het boekje van “Rupsje Nooit Genoeg” voorgelezen en de reacties waren elke keer even leuk.

Daarnaast vind ik de tekeningen van Beatrix Potter ook heel mooi. De verhalen ken ik niet zo goed, maar de illustraties zijn heel knus en als ik plaatjes van Peter Rabbit zie krijg ik een nostalgisch gevoel.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek?

Ja, sinds kort ben ik aan het tekenen en schrijven voor een nieuw boekje. De illustraties zijn in dezelfde stijl als die van “De Zonnebloem”. Ook komen er weer een aantal educatieve thema’s aan bod, zoals tot tien leren tellen en dat wormen kruipen en niet vliegen.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers en illustratoren (van prentenboeken)?
Hanneke aan het werk voor haar nieuwe prentenboek
Hanneke aan het werk voor haar nieuwe prentenboek

Wanneer je voor kinderen schrijft is het goed om te proberen de wereld te zien door de ogen van een kind. Door om je heen te kijken en korte verhaaltjes te verzinnen bij de mensen en dingen die je ziet kun je veel inspiratie opdoen.

Het is goed om een eigen stijl te bedenken, iets wat bij je past en waar je mee verder kunt.
Wanneer je ergens niet aan uitkomt kun je hulp vragen aan iemand die ervaring heeft met schrijven en illustreren, of juist gewoon aan een vriend waarvan je weet dat hij of zij eerlijk is. Hulp vragen is geen schande en twee zien altijd meer dan een. Geef niet op en zet door, ook jouw werk kan een bijzonder “pareltje” zijn.

 

Meer zien van Hanneke? Ze houdt haar eigen facebookpagina bij.

Interview Alice Hoogstad

Dag Alice Hoogstad, gefeliciteerd met de Gouden Penseel voor “Monsterboek”. Kun je wat vertellen over hoe “Monsterboek” tot stand is gekomen?
Alice Hoogstad
Alice Hoogstad

Het idee was er al heel lang. Als klein meisje liep ik altijd naar school en tekende onderweg met krijtjes op stoepen en muren. Als ik dan de volgende dag opnieuw die weg afliep, dan waren alle tekeningen weer verdwenen. Kon ik lekker weer opnieuw beginnen. Op een dag werd ik door de schooldirecteur aan mijn oor uit de klas gehaald. Het waren de jaren zestig, toen kon zoiets nog. Wat bleek, vrouwen die elke dag de stoepjes schoonboenden, waren komen klagen! Ik moest voor straf de muren die keer zelf schoonschrobben. Het boek heeft dus autobiografische trekken.

Hoe ga je te werk bij het maken van de illustraties? Kun je jouw werkproces toelichten?
Nino en Nina - Alice Hoogstad
Nino en Nina – Alice Hoogstad en Anton Wegman- Querido – 2011

Een prentenboek begint met een getekend storyboard zonder tekst. De tekst is een aanvulling op het beeld. Soms verzin ik samen met mijn man Anton (Ton) Wegman een verhaal. Dan ga ik eerst tekenen en schrijft hij de tekst. Bij Nino en Nina, een prentenboek dat ik heb gemaakt voor uitgeverij Querido, hebben we op die manier gewerkt. Bij Monsterboek, waar ik de gouden penseel voor kreeg, heb ik de tekst weggelaten omdat het beeld het verhaal voldoende vertelt. Voor de definitieve uitwerking zoek ik het tekenmateriaal dat het beste bij het onderwerp past. Dat kan inkt, krijt, potlood, collage of verf zijn. Meestal is het een gemengde techniek.

Is er veel veranderd in jouw werkproces tussen je debuut prentenboek “Bolder en de boot” en “Monsterboek”?

Bolder en de boot is mijn eerste eigen prentenboek, maar daarvoor had ik al zeker 150 boeken geïllustreerd. Boeken van Rindert Kromhout, Guus Kuijer , Edward van de Vendel, Hans Kuyper, Erik en Elle Lieshout, Paul van Loon en vele anderen. Mijn eerste geïllustreerde boek kan ik me niet eens meer herinneren. Er is wel veel verandert sinds die tijd. Ik experimenteer graag met technieken. Ik houd me niet lang met eenzelfde manier van werken bezig. Het is veel spannender als er iets onder je handen ontstaat dat je niet al vooraf helemaal duidelijk in je hoofd hebt bedacht. Als je veel illustreert moet je oppassen dat je niet teveel als een automatische piloot gaat werken.

"Bolder en de boot", Alice Hoogstad
“Bolder en de boot”, Alice Hoogstad, 2005, Pimento
Wat zijn jouw favorieten materialen en technieken om te illustreren?

Mijn favoriete materiaal is acrylverf en collage. Je kunt met acrylverf zowel transparant, gelaagd als dekkend werken. Je kunt het ook goed combineren met collage of krijt. Ik werk graag met collage omdat je dan snel composities kan wisselen. Het is natuurlijk wel een beetje een ouderwetse methode. Je kunt in PhotoShop heel makkelijk hetzelfde resultaat bereiken. Ik beheers die techniek nog niet maar heb wel plannen om me daar in de toekomst in te verdiepen.

Waar moet je op letten bij het gebruik van techniek?

Je moet vooral speels blijven. Zowel in vorm als in materiaalgebruik. Je moet denk ik niet té geroutineerd zijn. Het is veel leuker als er dingen onder je handen ontstaan zonder vooropgezet plan. Ik neem bewust ieder jaar een periode in mijn planning op waarin ik wat kan ‘aanmodderen’. Te vaak zit je anders met een krappe planning, waardoor je niet meer durft te experimenteren.

Je hebt kinderboeken geïllustreerd voor iedere leeftijd. Hoe houd jij als illustrator rekening met verschillende leeftijdscategorieën?

Er is een tijd geweest dat ik alleen verhalen kreeg aangeboden voor kinderen van 9 tot 13 jaar. Dat ging me vervelen omdat je dan als illustrator weinig in te brengen hebt. Je moet zo strikt mogelijk de tekst volgen en die in beeld brengen. En ik had het idee dat ik teveel in herhaling viel. De verhalen leken soms erg op elkaar. Bij een prentenboek heb je veel meer mogelijkheden. Je kunt een hele nieuwe wereld op papier zetten.

Mijn voorkeur heeft de leeftijd van 4 tot 7. Maar onlangs heb ik een tekening gemaakt bij het verhaal van Odysseus en toen vond ik het toch wel weer erg leuk weer eens voor oudere kinderen iets te maken. De afwisseling maakt het leuk.

Het is belangrijk dat je goed blijft kijken naar wat kinderen van een bepaalde leeftijd zich bezig houd, maar ik denk er verder niet teveel over na. Het gaat vanzelf.

Monsterboek
Monsterboek is inmiddels ook in het Italiaans verschenen…en wordt ook uitgegeven in de VS, Duitsland, Denemarken, Zuid-Korea en Turkije
Je hebt inmiddels behoorlijk wat prentenboeken geïllustreerd. Op welke ben je het meest trots?

Ik ben het meeste trots op het prentenboek Nino en Nina en de eerste tekeningen van mijn volgende boek. Maar daar ga ik niets over verklappen. Meestal ben ik helemaal niet trots als een boek net af is. Er zitten altijd dingetjes in die beter moeten, maar daar is dan vaak geen tijd meer voor.

De twijfel of iets wel goed is is misschien wel het lastigste van dit vak. Soms ben ik aan het eind van de dag best tevreden met een tekening, maar als ik dan de volgende ochtend kijk vind ik het soms helemaal niks. Dan laat ik het aan collega’s zien of mijn man als ik ergens niet zeker van ben. Op het moment dat je het laat zien kijk je vanzelf ook met meer afstand.

Ik ben niet gauw ergens trots op, maar er staan een paar grote tekeningen in mijn atelier waarvan ik nog niet weet of ze in een verhaal gaan passen. Die tekeningen geven me een goed gevoel. Ik heb daar met heel veel plezier aan gewerkt. Juist omdat er nog geen verhaal is word je nergens in beperkt. Je bent dan heel vrij en daardoor worden de tekeningen veel krachtiger. Soms ontstaat al schilderend een eigen verhaal . Dat is het aller mooiste.

vrij werk van Alice Hoogstad
vrij werk van Alice Hoogstad
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Dat wisselt heel sterk. Vaak zijn het details uit schilderijen of de manier van vlakverdeling of kleurgebruik dat me inspireert. Ik hou van stevige sterke vormen en duidelijke heldere composities. Werk van Carl Brown, Silvia Weve, Wolf Erlbrug, Martin Jarrie, Kveta Tacovska, Saul Steinberg, Ingrigd Godon. Teksten van Toon Telligen , Hans Hagen, Ted van Lieshout of Bette Westera zijn favoriet.

Ben je momenteel weer bezig met een nieuw prentenboek? Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

Ik ben met twee nieuw prentenboeken bezig. De ene zal ergens voorjaar 2016 klaar zijn.
Het thema van de kinderboekenweek 2016 is oma en opa en, echt heel toevallig, gaat mijn volgende boek daar over, maar meer ga ik er niet over verklappen. En over de andere zeg ik ook lekker nog niks. Eerst maar eens kijken of het een beetje gaat worden zoals het in mijn hoofd zit. Het kan nog alle kanten uit.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren?

Blijf jezelf vernieuwen en blijf speels in je manier van werken. Wees kritisch als je verhalen of opdrachten krijgt aangeboden. Het verhaal moet bij je passen. Je moet als het ware staan te popelen om aan het werk te gaan. Ik heb, omdat nou eenmaal ook de schoorsteen van een illustrator moet blijven roken, te vaak verhalen geïllustreerd die me niet inspireerden. Probeer te voorkomen dat je plichtmatig werkt. Bekijk regelmatig werk van anderen maar wordt geen epigoon. Ga veel naar film, theater en exposities. En kijken, kijken, kijken. Daar begint alles mee.

Interview Mies van Hout

Dag Mies, wat heb jij met prentenboeken?
Mies van Hout
Mies van Hout

Prentenboeken maken vind ik het interessantste. Je hebt veel meer ruimte in een prentenboek. Ruimte voor je eigen ideeën. Ruimte voor de tekeningen. Ruimte om zelf je weg te zoeken. Ik vind het interessant om aan een boek als geheel te werken. Dat moet ook. Je kunt niet zomaar tekeningen gaan maken. Ik kan dat het beste als ik alles zelf maak. Dan wordt er niemand boos op je als je alles wilt veranderen. Als ik het met mezelf eens ben, dan kan ik dat doen. En je moet telkens heel goed nadenken en verbeteren en veranderen tot je uiteindelijk uitkomt waar je wilt zijn.

Zijn er bepaalde boeken waar je het meest trots op bent?

“Vrolijk”, omdat ik zie wat het bij kinderen losmaakt. Kinderen gaan aan de hand van dit boek allemaal hun verhalen vertellen. Het helpt ook kinderen met problemen over hun gevoelens te praten. Ik vind het heel bijzonder dat mijn boek dat teweeg kan brengen.

Je mag dit jaar namens de CPNB het prentenboek voor de Kinderboekenweek gaan maken. Kun je al een tipje van de sluier oplichten?

De titel van het prentenboek is “Speeltuin”. Op de eerste pagina zie je een jongetje, een meisje en een kat die zeggen: “Kom we gaan naar de speeltuin. Ga je mee?”. In het boek zie je hun avontuurlijke zoektocht vol plezier naar die speeltuin. Het wordt steeds gezelliger onderweg. Iedereen wil mee. Sterker nog, je mag zelf ook mee. Hoe dat kan, merk je vanzelf. Uiteindelijk komt iedereen aan bij de speeltuin. En wat er dan gebeurt, verklap ik natuurlijk nog niet.

Illustratie uit “Speeltuin”, Mies van Hout, CPNB, 2015
Illustratie uit “Speeltuin”, Mies van Hout, CPNB, 2015

Er komt ook tekst in Speeltuin en die heb ik zelf geschreven. Dat vond ik wel spannend, want ik ben vooral een beeldmaker. Maar ik wilde het echt zelf doen omdat het idee van het boek ook van mij is. Ik kon zo de tekst helemaal aanpassen aan de tekeningen.

Nieuwsgierig naar het eindresultaat? Vanaf 7 oktober is “Speeltuin” verkrijgbaar.

Je hebt kinderboeken geïllustreerd voor iedere leeftijd. Hoe hou jij als illustrator rekening met verschillende leeftijdscategorieën?

Ik let vooral op de duidelijkheid. Verder maak ik gewoon wat ik leuk vind. En dan blijkt het uiteindelijk wel bij een of andere leeftijdsgroep te horen.

Hoe ga je te werk bij het maken van de illustraties? Kun je jouw werkproces toelichten?
Dat ging vroeger anders dan nu. Bij boeken als “Daar buiten loopt een schaap”, ben ik op zoek gegaan naar de verhalen die in de liedjes zitten, de beeldverhalen. Eerst bedenk ik die ideeën in het klein. Een storyboard, zeg maar. Daarna maak ik schetsen met meer details. En uiteindelijk probeer ik zo goed mogelijk te maken wat ik heb bedacht.
Zo’n tekening ontstaat gaandeweg en op deze manier krijg je er controle over.
Dit gaat het beste in verf. Ik heb heel lang in plakkaatverf gewerkt. Maar later ben ik ook met acryl gaan werken. Dat geeft weer andere mogelijkheden. het is wat fijner en transparanter.
Schetsen voor "Vrolijk", Mies van Hout, 2014
Schetsen voor “Vrolijk”, Mies van Hout, 2014

 “Vrolijk” is heel anders gemaakt. Eigenlijk het tegenovergestelde. Ik maakte amper schetsen. Ik begon gewoon te tekenen. Ik probeerde me het gevoel voor te stellen dat ik wilde verbeelden. Daardoor ontstaan er dingen die je niet kunt bedenken. Deze manier is vooral loslaten, laten gebeuren. Totaal anders. Ik vind het een bevrijding. Maar het is wel erg moeilijk. Veel gaat ook niet goed. Ik moet heel veel tekeningen maken. Sommige lukken. Of ik tevreden ben, weet ik niet altijd meteen. Er is tijd nodig om afstand te kunnen nemen om het goed te kunnen beoordelen. Ik ben klaar als ik niet meer twijfel.

Met mijn oude techniek maakte ik veel minder tekeningen. Maar daar deed ik veel langer over. Met mijn nieuwe techniek maak ik meer tekeningen. Maar die maak ik sneller.Eigenlijk doe ik over een prentenboek altijd ongeveer 5 maanden. Ongeacht welke techniek.

Vrolijke vis uit "Vrolijk"
Een voorstudie van de vrolijke vis uit “Vrolijk”, Mies van Hout, 2014, Lemniscaat
Wat zijn jouw favoriete materialen en technieken om te illustreren?

Oliepastelkrijt, acrylinkt, plakkaatverf, acrylverf, finelinders. Nou ja zo’n beetje alles dus. Maar wel met echt tekenmateriaal op echt papier. Ik maak wel gebruik van de computer, maar ik teken er niet op.

Waar moet je op letten bij het gebruik van deze materialen en technieken?

Je moet ze goed leren kennen. Dat kan alleen door er veel mee te werken. En het helpt om te weten op welk papier het voor jou het mooiste wordt.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

Ik vind “Sssst, we hebben een plan!”, van Chris Haughton heel erg goed. Het is een erg goed idee en ik hou van zijn stijl en de kleuren die hij gebruikt. Piet Gröbler is een favoriete illustrator. Hij durft ook de nare kant te laten zien. En ondanks dat blijft het er fris en vrolijk uitzien.

De boeken van Charlotte Dematons behoren ook tot mijn favoriete prentenboeken. Ik hou erg van het verhalende in haar tekeningen. Ook “22 wezen”,  van Tjibbe Veldkamp en Philip Hopman, vind ik erg goed. Er zit een zeer aantrekkelijke losheid in dat boek. Maar ondertussen staat het als een huis.En de klassiekers als de Gruffalo en Max en de Maximonsters blijven favoriet.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren (van prentenboeken)?

Zorg voor een goed basisidee, dat in een paar zinnen te vertellen is. Dat is het belangrijkste.

Wil je meer weten over Mies van Hout en haar werk? Neem dan eens een kijkje op haar eigen website. Of lees de special over Mies van Hout “tekenen tot de twijfel weg is”.


Interview Marjet Huiberts

Dag Marjet Huiberts! “We hebben er een geitje bij!” is verkozen tot prentenboek van het jaar 2016. Hoe is dit boek tot stand gekomen?
“We hebben er een geitje bij!”, marjet huiberts en iris deppe
“We hebben er een geitje bij!”, Huiberts, Deppe, Gottmer, 2014

De tekst was er het eerst. Ik had een lang vers gemaakt voor jonge kinderen over een ‘kraamvisite’ op een kinderboerderij en toen ik dat na een bespreking over ‘Ridder Florian’ aan mijn uitgever en redacteur bij Gottmer liet lezen, reageerden ze heel enthousiast. Mijn uitgever Melanie Lasance zag er onmiddellijk een mooi prentenboek in.

Redacteur Marieke Spaans is toen op zoek gegaan naar een passende illustrator. Ze heeft daar een uitstekende kijk op, bijvoorbeeld voor mijn boek ‘Roodkapje was een toffe meid’ kwam ze met Wendy Panders aan, die meteen een Vlag en Wimpel kreeg voor haar bijzondere illustraties bij het boek. Marieke had net een mapje met illustraties van de onbekende Iris Deppe gekregen en liet me werk van haar zien. We waren allebei erg gecharmeerd van haar dierenillustraties. Toen heeft Iris de opdracht gekregen.

De samenwerking met illustrator Iris Deppe is zeker goed bevallen, aangezien er inmiddels een nieuw prentenboek van jullie is verschenen (“Dag meneer, hebt u een hond?”)?

Ja, het is erg fijn om met Iris samen te werken. Ze laat me altijd eerst schetsen zien (waar ik dan nog wat over kan zeggen) en steeds een paar nieuwe illustraties, zodat ik al snel een beeld krijg. Ik vind haar illustraties vaak ontroerend, zoals dat stralende konijn in ‘We hebben er een geitje bij!’ en de optocht van de trotse boer met alle boerderijdieren in zijn kielzog. Iedere keer als ik het boek bekijk word ik er blij van. Nu natuurlijk extra blij, omdat het Prentenboek van het Jaar is geworden. Mijn redacteur zei dat het nooit voorkomt dat een illustrator dat bij zijn eerste boek meteen overkomt.

‘Dag meneer, hebt u een hond?’ was toen overigens al verschenen. Het komt een beetje door Iris’ stralende konijn dat ik het idee kreeg voor dit boek. En door een ervaring uit de tijd dat mijn kinderen (inmiddels 26 en 23) jong waren: we gingen een kooi kopen voor een cavia die mijn oudste zoontje kon krijgen van een vriendje. Maar in de winkel werden we verliefd op een schattig, lichtbruin hangoorkonijntje. Toen hebben we die gekocht, met konijnenhok, en de cavia afgezegd. Zoiets overkomt Mik ook in ‘Dag meneer, hebt u een hond?’ En net als Mik hadden mijn kinderen voor het konijn een riempje om hem buiten te kunnen laten lopen.

Beide boeken zijn vormgegeven door Sabine en Hans Bockting, die ook de vormgeving hebben gedaan van ‘Aadje Piraatje’, heel mooi en zorgvuldig doen ze dat.

Al jouw prentenboeken zijn op rijm. Wat trekt jou zo aan om een verhaal in rijmvorm te vertellen?

Ik schreef al liedteksten en versjes voor Sesamstraat en toen vroegen ze me of ik ook verhalen op rijm kon schrijven. Dus ik ben er eigenlijk een beetje ingerold. Maar het ligt me ook goed. Een rijmschema geeft structuur en je moet veel puzzelen om je tekst passend te krijgen, dat vind ik leuk werk.

Daarnaast heb ik gemerkt dat kinderen een tekst op rijm makkelijk oppikken. Er zijn kinderen van twee die al hele stukken tekst uit ‘Ridder Florian’ op kunnen zeggen, terwijl het eigenlijk een boek voor kleuters is.

‘Wacht! Ik wil je nog bedanken,’
roept de draak, en gaat weer janken.
‘Mag ik niet je huisdier zijn?
Ik loop heel graag aan de lijn!’

Rijm Marjet Huiberts (Ridder Florian)
Waar let jij altijd goed op bij een rijm? Wat zijn de valkuilen?

Het moet goed klinken. Een rijmende tekst maak ik bijna altijd hardop pratend. Verder is er over rijm veel te zeggen, maar dat past niet zo in een interview. Je kunt er beter een boek over lezen, bijvoorbeeld van Jaap Bakker. Ik heb les van hem gehad (Liedteksten schrijven) op de Schrijversvakschool en dat was zeer leerzaam.

Slimme Kimmie Cowboy is een dagje aan ’t kamperen,
als ze plots een boze stem hoort: ‘Ugh! Ik jou scalperen!’
Kimmie kruipt haar tentje uit. ‘Hé, riep daar iemand wat?’
Voor haar staat een indiaan. Hij is op oorlogspad.”
Rijm Marjet Huiberts (Kimmie Cowboy)
Hoe ga jij te werk bij het schrijven van een prentenboek?

Dat vind ik een moeilijke vraag, want het is iedere keer anders. Ook hoe ik op een idee kom. Hiervoor heb ik al verteld hoe ik op het idee kwam voor ‘Dag meneer, hebt u een hond?’, maar daar komt bij dat ik in mijn achterhoofd had een serie te maken over Mik, steeds met andere dieren. Zoals bijvoorbeeld huisdieren. Zo’n idee speelt dan ook een rol bij het tot stand komen van het verhaal. Meestal verschijnt er in mijn hoofd een zinnetje en op dat zinnetje ga ik net zolang kauwen tot er nieuwe zinnetjes bijkomen.

Maar daarnaast heb ik dus ook vaak een globaal beeld en daar schrijf ik eveneens dingen over op: de indeling van de tekst, welke dieren erin voor moeten komen en ook weer zinnetjes die daarbij zouden passen. Ik switch steeds tussen het globale beeld en de losse zinnen. Als ik een eerste versie op papier heb zit ik daar vaak nog lang aan te schaven, tot ik over elke zin tevreden ben.

Zit er voor jou verschil in de manier van werken als je een prentenboek schrijft ten opzichte van een liedje?

Niet een groot verschil. Bij een liedje heb ik vaak eerst een refreinregel. Het refrein is de kern, die komt steeds terug. En een liedje zing ik soms zo’n beetje voor me uit. Dat doe ik niet met een prentenboek tekst. Verder is het hetzelfde: steeds van zinnetjes naar globaal en vice versa.

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers?

Ik heb een speciale band met het prentenboek ‘Een ober van niks’ van Tjibbe Veldkamp en Philip Hopman, verschenen in 1992. Ik werkte in die tijd als dansconsulent bij een Steunpunt voor Kunstzinnige Vorming. We maakten voor het basisonderwijs een dansproject over boeken. Ik vond de illustraties van Philip Hopman, met name de slungelige ober in allerlei standen tussen balanceren en vallen, bijzonder geestig. En heel bruikbaar voor een dansles.

Toen ik ruim tien jaar later met mijn twee eerste prentenboek teksten, ‘Feodoor heeft zeven zussen’ en ‘Ridder Florian’ bij Gottmer zat, had ik dat boek in mijn tas. Voorzichtig opperde ik Philip Hopman als illustrator. Gottmer had nog nooit met hem gewerkt, maar was er meteen voor in. En Philip heeft Ridder Florian precies zo vormgegeven als ik gehoopt had, dat besefte ik toen een schets zag: ja, dit is hem. ‘Zijn ontroerendste personage ooit’, schreef het NRC.

Voor ‘Feodoor heeft zeven zussen’ kwam Gottmer met Sieb Posthuma, die later ook ‘Aadje Piraatje’ heeft geïllustreerd. Aadje Piraatje is zo’n aansprekend karakter geworden dankzij Sieb. Verschrikkelijk dat Sieb is overleden.

Aadje Piraatje, marjet huiberts en sieb posthuma
Aadje Piraatje, Huiberts, Posthuma, 2009, Gottmer
Ben je momenteel bezig aan een nieuw prentenboek? Zo ja, kun je een tipje van de sluier oplichten?

In het voorjaar van 2016 komt er waarschijnlijk een speciale uitgave van Aadje Piraatje: ‘Aadje Piraatje leest’, met als ondertitel: ‘lees jij mee?’ Het is een combinatie van een samenlees- en een zelfleesboek op AVI-startniveau. Toen ik een paar jaar geleden hoorde dat veel jongens te weinig lezen, dacht ik: misschien is Aadje een goed rolmodel. In ‘Aadje Piraatje viert feest’ staat een verhaal over dat hij leert lezen. De refreintjes daarin heb ik zo geschreven dat ze op AVI-startniveau zijn.

Daarnaast heb ik een aantal nieuwe teksten op dat niveau geschreven, gebaseerd op eerdere verhalen van Aadje. Sieb zou die nog gaan illustreren, wat niet eens veel werk meer was, daar we veel illustraties konden hergebruiken. En toen overleed hij, vlak voordat ‘Aadje Piraatje viert feest’ uit zou komen. In overleg met de erfgenamen is Gottmer nu toch bezig met de voorbereidingen voor uitgave van ‘Aadje Piraatje leest’, ook als een soort eerbetoon aan Sieb. Ik heb één verhaaltje herschreven, zodat we alles met de bestaande illustraties van Sieb kunnen doen. Ik hoop dat de boeken van Aadje, met de fantastische illustraties van Sieb, een heel lang leven beschoren zijn.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers (van prentenboeken)?

Wees niet te snel tevreden met een tekst. Lees hem hardop. Draai je zinnen om, schrap en schaaf. Als je op rijm schrijft: neem niet altijd het voor de hand liggende, maar zoek nieuwe (originelere) rijmparen, let op het metrum, het ritme, de zinslengte, en behalve op eindrijm ook op binnenrijm, alliteratie e.d. En ten slotte, laat nooit prentenboek op lulkoek rijmen.

Marjet Huiberts
Marjet Huiberts

Meer weten over Marjet Huiberts? Bezoek dan eens haar eigen website! Je vindt daar onder andere alle prentenboeken van Marjet.

Interview Ruth Wielockx

Ruth Wielockx
Ruth Wielockx

Opgelet!
Is iedereen klaar voor het interview met Ruth Wielockx?
Zit iedereen op zijn plaats?
Drie … twee … één … Start!

Hoi Ruth, je hebt een plek in de prentenboek TopTien 2016 “gewonnen”! Hoe is “Gewonnen!” tot stand gekomen?”

Het is enorm fijn te horen dat je boek in de prentenboek TopTien staat! Het idee van “Gewonnen” is heel spontaan gekomen. Ik wou een verhaaltje over een wedstrijd maken. Kinderen vinden het leuk om de beste of de snelste te zijn. Maar als er een winnaar is, is er meestal ook een verliezer. Daarom zocht ik een wedstrijd waar iedereen kon winnen, een wedstrijd die leuk is voor iedereen. Verder moesten er ook nog verschillende voertuigen deelnemen aan de wedstrijd. Zo werd het lekker stoer. Als je die twee optelt: een wedstrijd waar iedereen zich winnaar voelt én die doorgaat op één plaats waar alle voertuigen zich tegelijk bevinden … dan ken je het einde van “Gewonnen”!

Hoe ben je te werk gegaan?

“Gewonnen” is geïllustreerd in gouache. Eerst heb ik een opsomming gemaakt van alle voertuigen die interessant waren om mee te rijden – of te vliegen – en dan heb ik geprobeerd om ze van traag naar snel te rangschikken. Het was een heel interessante oefening! Verder wou ik niemand uitsluiten; jongens en meisjes, groot en klein … De kinderen zijn van verschillende origine – dat is bewust zo gedaan – we leven tenslotte in een multiculturele samenleving!

De evolutie van de quad, uit "Gewonnen", Ruth Wielockx, 2014, Clavis
De evolutie van de quad, uit “Gewonnen”, Ruth Wielockx, 2014, Clavis
Stuntmannen, piloten, ridders, racecoureurs, jij hebt wel wat met stoere jongens?

Soms hoor of lees ik wel eens dat jongens niet graag met hun neus in de boeken zitten, wat heel droevig zou zijn, omdat ik geloof dat ieder kind wel ergens een boek vindt dat in de smaak valt. Daarom hoop ik met de boeken die ik maak toch enkele kleine stoere jongens (of voorlezende papa’s) even over de streep te trekken! Wat niet wil zeggen dat de boeken uitsluitend voor jongens gemaakt zijn natuurlijk! Er zijn ook heel wat meisjes die iets pittiger willen; boeken over techniek of snelheid of waaghalzerij.

Hoe ben je eigenlijk “prentenboek illustrator” geworden?

Dat is allemaal eerder toevallig gebeurd! We – mijn man en twee zonen – hebben een jaar in de States gewoond. Omdat ik toen in loopbaanonderbreking was, was ik op zoek naar een uitdaging. En toen zei mijn man: ‘Wel, schrijf dan eens een boekje!’ Omdat ik altijd al graag tekende, vond ik dat wel een goede suggestie. Na een paar telefoontjes hoorde ik over de illustratiewedstrijd die uitgeverij Clavis uitschreef. Kort nadat ik daar de publieksprijs ‘Prijs van het Kind’ won, is mijn eerste boek “Wiebe is verliefd” verschenen.

Hoe ga je te werk bij het maken van een prentenboek?

Ik begin altijd met het schrijven van het scenario; in een paar stappen pen ik neer wat er gaat gebeuren in het boek. Dat wordt dan met de uitgever besproken. Nadien begin ik te illustreren en denk ik nog verder na over het verhaal; details die nog moeten uitgedacht worden, zaken die nog moeten opgezocht worden … En nog later schrijf ik de tekst. Als het een nieuwe illustratietechniek is, neem ik vaak ook een voorbeeldje mee naar mijn uitgever. Ook tijdens het maken van het boek stuur ik geregeld afgewerkte illustraties door naar de uitgever, zodat die een oogje in het zeil kan houden. Dat is nodig, omdat ik bijna nooit schetsen maak … maar zo blijft het natuurlijk spannend voor beide partijen! Ik ben heel blij met mijn uitgever die me die vrijheid durft te geven, omdat dit de werkwijze is die voor mij het meest natuurlijk aanvoelt.

Wat zijn jouw favoriete materialen om te illustreren? En waarom?

Ik ben altijd zoekende naar welk materiaal het beste hoort bij het verhaal en de leeftijdsgroep. Een favoriet heb ik niet echt. Gouache, aquarel, fimo-klei, digitaal, … ik doe het allemaal! En ik doe ze allemaal met evenveel plezier; soms voel ik me bijna schuldig omdat ik de ganse dag mag tekenen, kleien, schilderen, …!

Waar moet je op letten bij het gebruik van deze materialen?

Omdat ik geen grafische opleiding heb, dacht ik wel eens dat je op een kunstschool leert hoe alle materialen gebruikt dienen te worden. Nu denk ik eerder dat het aan de kunstenaar is om de materialen die je aanspreken eens uit te proberen. Iedereen werkt tenslotte op een andere manier met de verschillende materialen. Dat zie je al bij peuters die je een potje verf en penseel geeft! De ene maakt nette lijnen en de andere kliedert er maar op los. Zo gaat het ook als je groot bent, denk ik. Het is gewoon een kwestie van durven en uitproberen.

Illustratie uit "De Kleine Kerstboom
Illustratie uit “De Kleine Kerstboom”, Wielockx, 2015, Clavis
Je hebt inmiddels behoorlijk wat prentenboeken geïllustreerd. Aan welke bewaar je de beste herinneringen?

De leukste herinneringen bewaar ik aan “De kleine kerstboom”. Aan dit boek ben ik vol enthousiasme begonnen rond december, wat heerlijk was omdat je dan helemaal in de kerstsfeer bent. Het werd pas echt grappig toen ik in maart nog steeds mijn playlist met kerstliedjes aan het spelen was! Het is heel makkelijk om te zeggen op welk boek ik het meest trots ben: dat is altijd op het laatste prentenboek dat ik gemaakt heb!

Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

“Swimmy” en “Frederick” van Leo Lionni vind ik erg goed. Swimmy omdat ik het enorm goed bedacht vind; Frederick is zo gevoelig geschreven en het opent deuren om over meer abstracte zaken zoals gevoelens te praten met kinderen. Ik hou ook van de humor en de zwierige tekenstijl van Ian Falconer met zijn grappige varkentje Olivia. Verder kunnen de illustraties van Chris Haughton – omwille van het mooie en aparte kleurgebruik – me wel bekoren.

Ben je momenteel bezig aan een nieuw prentenboek? Zo ja, kun je een tipje van de sluier oplichten?

Ja natuurlijk ben ik aan een nieuw prentenboek bezig! Het wordt een grappig verhaal, over een politieman. En er zijn natuurlijk ook nog een heleboel papieren met notities die op me liggen te wachten; allemaal ideeën voor nieuwe verhalen en prentenboeken!

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren en schrijvers van prentenboeken?

Niet teveel nadenken maar doen!

Meer informatie over Ruth Wielockx, haar werk en haar boeken vind je op haar eigen website. Bij Gewonnen zijn er leuke lessen te downloaden bij de kleuteruniversiteit. Ruth is daar ook huisillustrator. Bij De kleine kerstboom hoort ook een lespakket, dat gratis te downloaden is via http://www.clavisbooks.com/onderwijs.html onder: december 2013.

Meer prentenboeken van Ruth Wielockx


Interview Thé Tjong-Khing

Het boek Thé Tjong-Khing van Joukje Akveld & Annemarie Terhell geeft een prachtig overzicht van uw ontwikkeling en werk als illustrator. Had de ondertitel “van strip tot sprookje” niet “van strip tot prentenboek” moeten zijn?

Niet per se. Ik vind met woorden even leuk.

Thé Tjong-Khing
Thé Tjong-Khing van Joukje Akveld & Annemarie Terhell (Gottmer/Lannoo 2011)
De kunst van het weglaten van details lijkt wel iets waar u naar toe hebt gewerkt?

Ja. Maar het is oppassen geblazen. Hoeveel laat je weg? Voor je het weet is de tekening steriel…

Het prentenboek “Waar is de taart” uit 2004 is uw eerste solo-prentenboek. Waarom heeft u zo lang gewacht met het maken van een eigen (prenten)boek?

“Waar is de taart?” was bedoeld als een Vos en Haas prentenboek. Maar het lukte Sylvia van den Heede niet er een sluitend verhaal van te maken. Ik kreeg ideeën van haar, ik had ook wat ideeën, deed dat in een mixer en zo kwam ik tot iets wat je een verhaallijn kon noemen. Sylvia zei daarvan dat ik het verder maar alleen moest doen. Voor de grap ben ik er op door gaan denken en kwam zo tot wat “Waar is de taart?” is geworden. Tot mijn verrassing vond de uitgever het goed. Toen ging ik pas serieus aan de slag. Het boek is dus min of meer toevallig ontstaan.

Erg beperkend van een tekstloos verhaal is dat je niet echt de diepte in kan gaan. Je hebt alleen beeld tot je beschikking. Niemand kan denken, of plannen maken bijvoorbeeld. Een pré is dat in beeld van alles tegelijk kan gebeuren. En dat figuren per pagina kunnen veranderen. Iemand kan broodmager beginnen en dik eindigen bijvoorbeeld. In een verhaal met woorden moet je dit vertellen, als je alleen beeld voor je hebt, moet je het zelf ontdekken.

Is de taart nu op?

Nee hoor, er ligt een nieuwe taart bij de drukker. Het komt dit jaar uit. “Kunst met taart” heet het.

Waar werkt u momenteel aan?

Aan een heel grote opdracht waarmee ik een half jaar zoet zal zijn. Ik mag er helaas niets over zeggen.

Het recent uitgegeven “koffietafelboek” van Christian Ouwens laat beeldend zien hoe u van schets bij de definitieve illustratie uitkomt. Hoe gaat u te werk bij het maken van de illustraties? Kunt u uw werkproces toelichten?

Vroeger als kind betekende illustraties bekijken: fantaseren. Ik verbeelde me dat ik het was die verdwaald was in dat bos, of dat ik met die draak aan het vechten was en waar ik hem zou steken met mijn lans. Of als ik wegliep voor een boef zocht ik iets waarmee ik me kon verdedigen.

Ik illustreer eigenlijk voor dat kind dat ik eens was. Ik probeer altijd (soms lukt dat en soms niet) iets in een illustratie te stoppen dat aanleiding kan zijn voor dat gefantaseer van mij van vroeger.

Ik zet geen lijn op papier vóór ik weet wat ik met de illustratie wil zeggen. Ik maak opzetten in mijn hoofd. Als ik denk een opzet te hebben, dan komen papier en potlood pas te voorschijn.

U heeft veel geïllustreerd met pen, penseel en inkt. Waarom?

Dat weet ik niet. Het lijkt me het gemakkelijkst.

Van schets naar illustratie, Khing, Carmen, 2012, Groothof, Gottmer
Van schets naar illustratie, Khing, Carmen, 2012, Groothof, Gottmer
Waar moet je op letten bij het gebruik van deze techniek?

Je moet op zoveel letten en dat geldt voor elke techniek. Voor ik begin wil ik eerst duidelijk hebben wat ik precies wil met die tekening. Moet hij spannend worden? Hoe krijg ik hem dan zo spannend mogelijk? Moet het meisje rechts of links op de pagina, moet ze voorover buigen of juist niet? Moet de donkere wolk recht boven haar of half achter het huis?

Heb ik de opzet, dan komen de kleurdilemma’s. Welke kleuren maken de plaat spannend. Heb ik ook dat voor elkaar, dan komt het leukste, dit alles tot leven brengen. Dat is een zaak van accenten. Moet het rood van haar jurk dieper? Moeten de struiken achter het huis donkerder? Moet dat grijs naast dat geel niet wat blauwer?

Kunt u wat vertellen over hoe u “beweging” en “spanning” in uw illustraties krijgt?

Dat is moeilijk te zeggen. Voor iedere tekening gelden andere regels. Soms kan je een beweging versterken door iets in de stand van het lichaam te veranderen, maar soms kan je beter iets veranderen in de achtergrond. Ik geloof niet dat er een algemene regel bestaat.

Van schets naar illustratie, Khing,
Van schets naar illustratie, Khing, Carmen, 2012, Groothof (auteur), Gottmer
Heeft u zelf een aantal favoriete illustratoren?

Mijn echte favorieten zijn schilders. Onder andere Co Westerik, Pat Andrea en Henri Rousseau. Foto naturalistische schilders spreken me niet zo aan. Abstracte nog veel minder. Het terrein daartussen vind ik het spannendst.

Heeft u tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren (van prentenboeken)?

Haha, goed je best doen. Ik zou het niet weten, je moet doen wat je leuk vind. En niet boos worden op kritiek maar er naar luisteren, wie weet heb je er wat aan.

Meer weten over Thé Tjong-Khing en de boeken die hij geïllustreerd heeft? Neem dan eens een kijkje op zijn eigen website.

Interview Monica Maas

Monica, heb je enig idee hoeveel kinderen er zindelijk zijn geworden met “Bobbi op het potje”?

Dat is een moeilijke vraag, ik was er niet bij… Maar “Bobbi op het potje” heeft intussen de 11e druk. Dat zijn 66.000 verkochte boeken. Die worden aan meerdere kinderen binnen een gezin voorgelezen. En dan niet te vergeten de keren dat het boek is uitgeleend in de bibliotheek. Ik denk dat zeker 100.000 kinderen plezier hebben gehad van Bobbi op het potje toen ze zindelijk werden.

Hoe is Bobbi eigenlijk ontstaan?

Het beertje Bobbi zoals het nu in de boeken staat is afkomstig van mijn geboortekaarten bij Intercard en later van de wenskaarten bij Hallmark. Er was en is veel vraag naar deze kaarten. In die tijd, voordat de Bobbi-boeken er waren, heeft Bébé-jou een collectie babyproducten gemaakt zoals babybadjes etc. waarop mijn beertjes stonden. Eind jaren negentig vroeg Uitgeverij Kluitman of ik een serie wilde bedenken over dat beertje. Uiteindelijk werd dat Bobbi en samen met Ingeborg Bijlsma, die toen bij Kluitman werkte, maakte ik de eerste deeltjes. De serie sloeg meteen aan en we bedachten jaarlijks nieuwe thema’s waarin jonge kinderen zich kunnen herkennen.

De tekst is op rijm en loopt goed. Dat moet een voorwaarde zijn. De tekeningen zijn herkenbaar en spreken aan. Ze bevatten veel details zodat kinderen kunnen aanwijzen en vertellen wat ze zien. Het fijne van de serie is dat kleintjes kennismaken met onderwerpen waarmee ze te maken kunnen krijgen zoals: de kinderboerderij, de dierentuin, een verhuizing, griep, logeren of bijvoorbeeld boodschappen doen.

Het is een compliment om te horen dat veel peuters en kleuters de Bobbi-boeken uit hun hoofd kunnen ‘voorlezen’. Bobbi is dus een waardevolle aanvulling op de taalontwikkeling.

Illustraties van Bobbi - Monica Maas
Illustraties van Bobbi – Monica Maas
En Bobbi blijft voorlopig nog nieuwe avonturen beleven?

Zeker! Er is veel mogelijk met dit beertje. Samen met Uitgeverij Kluitman maak ik plannen voor nieuwe thema’s en via facebook.com/bobbiboeken of email krijg ik van ouders en juffen met regelmaat tips voor titels. Die worden steeds zorgvuldig beoordeeld.

Sommige Bobbi-boekjes zijn door jou alleen geschreven, andere weer samen met Ingeborg Bijlsma, hoe komt dat?

Enkele jaren geleden is Ingeborg gestopt met schrijven omdat haar baan in het onderwijs haar teveel tijd en energie ging kosten. Sindsdien schrijf ik de boeken zelf. “Bobbi gaat voetballen”, “Bobbi in de zomer” en “Bobbi in de winter” heb ik geschreven én geïllustreerd. Maar ook titels als “Bobbi abc” en het “Bobbi kijk- en zoekboek” heb ik zelf bedacht en getekend.

Je hebt, naast Bobbi, zelf een aantal prentenboeken geschreven en geïllustreerd (Souwtje, Joupy de kleine zeehond en recent Joupy en Kokmeeuw). Waar let jij vooral op bij het schrijven van de tekst?

Meestal maak ik eerst een aantal schetsen om gevoel met het onderwerp te krijgen en intussen ga ik aan de slag met de tekst. Dat is een fijn proces. Als ik schrijf, lees ik de zinnen hardop, zodat ik hoor wat de tekst doet. De tekst moet aansluiten bij de beleving van een jong kind, de doelgroep waarvoor ik boeken maak. Iets onverwachts en nu en dan een grapje is belangrijk, evenals wat spanning, maar de verhaaltjes moeten goed aflopen.

Het is altijd afwachten of een boek aanspreekt. Over Joupy en Souwtje krijg ik vaak leuke reacties en brieven en fans staan soms onverwacht op de stoep. Souwtje verscheen in 2012, maar afgelopen week kreeg ik opeens weer een aardige mail van een iemand die haar enthousiasme over dat boek wilde delen. Zo’n bericht is verrassend leuk om te ontvangen.

Ik heb veel voorgelezen, eerst als kleuterleidster, dat ben ik 4 jaar geweest, daarna als moeder en nu lees ik mijn kleindochters Ella en Cato veelvuldig voor. Er worden heel veel kinderboeken uitgegeven, maar ik ben nogal kritisch. Ik vind niet alles even fijn om naar te kijken. Een boek is goed als het keer op keer uit de kast wordt gepakt en moet worden voorgelezen. Voor een jong kind is het belangrijk dat het vertrouwd wordt met een prentenboek. Voortdurend nieuwe boeken aanbieden is voor de allerkleinsten niet nodig.

Illustraties Joupy
Illustraties Joupy de kleine zeehond (2013) en Joupy en de kokmeeuw (2014) – De Vier Windstreken
Hoe ga je te werk bij het maken van de illustraties? Kun je jouw werkproces toelichten?

Eerst maak ik voor het hele boek alle schetsen zodat ik een beeld krijg hoe het boek eruit kan gaan zien. Als ik redelijk tevreden ben, neem ik ze met behulp van de lichtbak met potlood over. Die potloodtekeningen maak ik in pen en vervolgens ga ik aan de slag met aquarelverf, soms in combinatie met kleurpotlood. Als een tekening me niet zint, dan begin ik opnieuw. Er moet een soort vanzelfsprekendheid zijn, wanneer ik die mis, zoek ik tot ik de juiste uitdrukking of houding heb. Er is geen verschil tussen het tekenen van Bobbi of een ander prentenboek.

Mijn werk lever ik digitaal in. Dat heb ik van mijn jongste dochter Vibeke geleerd. Ik scan mijn tekeningen in en werk ze waar nodig in Photoshop wat bij. Dat kost meer tijd dan de tekeningen in een envelop naar de uitgever sturen, maar het is fijn om de opmaak van een boek in eigen hand te houden.

Tot vorig jaar keek mijn man mee. Hij heeft me gestimuleerd om Souwtje te maken en ook Joupy de kleine zeehond. Joupy en Kokmeeuw zijn ontstaan dankzij de kennis van mijn man Henk over zeehonden en vissen. Helaas is Henk tot ons groot verdriet op 31 december 2014 overleden aan de gevolgen van een hersentumor. Hij is 60 jaar geworden. Een enorme schok natuurlijk. Sinds wij in september 2014 hoorden dat hij ongeneeslijk ziek was, heb ik niet meer getekend. Nu probeer ik de draad weer op te pakken.

Souwtje
Souwtje – Monica Maas – De Vier Windstreken – 2012
Wat zijn jouw favoriete materialen en technieken om te illustreren? En waarom?

Al heel lang teken ik met een Staedtler pen, maar de illustraties voor bijvoorbeeld Joupy de kleine zeehond en Joupy en Kokmeeuw heb ik met potlood getekend, daardoor worden de lijnen wat losser. Verder gebruik ik aquarelverf en kleurpotloden.

Ik heb eens een portret van Vibeke gemaakt met pastelkrijt, dat werkte lekker los en het lukte goed. Maar voor mijn illustraties zou ik pastel niet snel toepassen. Ik houd enorm van lijntjes tekenen. Dat past denk ik beter bij me. Ik heb nog steeds een zwak voor werken in zwart-wit. Wie weet ga ik daarmee weer eens aan de slag.

Waar moet je op letten bij het gebruik van deze materialen?

Bij de serie over Bobbi en zijn vriendjes is het vanzelfsprekend belangrijk dat ik steeds dezelfde kleuren gebruik. Het bruin van Bobbi moet bijvoorbeeld altijd de juiste gebrande sienna zijn, alleen aquarelverf van Talens Rembrandt is voor mij de beste kleur.

Ben je momenteel al weer bezig aan een nieuw prentenboek? Zo ja, kun je een tipje van de sluier oplichten?

Vorig jaar schreef ik de tekst voor “Bobbi in de herfst”. Intussen heb ik de voorplaat gemaakt en ben ik begonnen met de schetsen. Uitgeverij De Vier Windstreken wil graag verder met een tweede deel over Souwtje en ik mag nóg een Joupy-boek maken.

Bobbi in de herfst
Bobbi in de herfst – Monica Maas – Kluitman
Heb je zelf een aantal favoriete prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Een fijn prentenboek vind ik “Storm Stina” van de Zweedse Lena Anderson, maar ook de verhaaltjes over Uil en Pad van Arnold Lobel zijn bij mij favoriet. De tekeningen van Thé Tjong- Khing zijn onovertroffen, evenals de gedichten van Annie M. G. Schmidt door haar prettige nuchterheid en humor. Het werk van Fiep Westendorp is nog steeds geweldig, maar ook de tekeningen van Philip Hopman vind ik bijzonder knap.

Toen ik pas begon als illustrator was ik dol op de tekeningen van Peter Vos. Zijn Beestenkwartet staat nog steeds op de greep. Door hem en Maurice Sendak heb ik me in die tijd toegelegd op tekenen met pen: lijntjes en stippelwerk, soms met wat kleur. Dat was heel intensief, maar heerlijk om te doen.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende illustratoren en schrijvers (van prentenboeken)?

Zelf heb ik nooit een tekenopleiding gedaan of tekenles gehad en ben vanaf mijn 24e fulltime illustratrice en ontwerpster. Ik heb alles ontdekt en ontwikkeld door veel te tekenen en vooral heel kritisch te zijn op mijn werk, maar ik kreeg voortdurend opdrachten.

Een beginnend illustrator moet vanzelfsprekend een map vullen met werk dat geschikt kan zijn voor een bepaalde uitgever. Ook is het belangrijk dat een illustrator zelf het copyright op zijn of haar werk behoudt. Aan deze zaken wordt op een opleiding vast aandacht besteed. Soms vraagt iemand of ik een tekst voor een kinderboek wil beoordelen. Mijn tip is om het verhaal eerst voor te lezen aan de ‘doelgroep’. Dan is snel te merken of het aanspreekt.

Monica Maas
Monica Maas aan het werk in haar eigen atelier

Meer weten over Monica Maas of Bobbi? Neem dan gerust eens een kijkje op de onderstaande websites:

Website Monica Maas

Website Bobbi

Art-prints van Monica Maas zijn te koop in de winkel van Prentenboek.nl.

Uitgeven van prentenboeken Gottmer

Gottmer is een grote en toonaangevende uitgeverij van onder meer kinderboeken en prentenboeken. Tijd voor een interview met acquirerend redacteur van prentenboeken van Gottmer, Marieke Spaans.

Dag Marieke, wat heb jij met prentenboeken?

Het voorlezen van prentenboeken is door de combinatie van woord en beeld wat mij betreft een van de mooiste manieren om te communiceren met jonge kinderen.

Waaruit bestaan de werkzaamheden van een redacteur van prentenboeken?

Ik begeleid de dagelijkse gang van zaken. Beslissingen omtrent het uitgeven van prentenboeken nemen we meestal samen. Ons kinderboekenteam bestaat in totaal uit 5 mensen.

Een normale werkdag zit vol met overleg (met collega-redacteuren en collega’s van de promotie-, redactie- en productie-afdeling), emailverkeer met vormgevers, auteurs en illustratoren, proeven bekijken, manuscripten lezen, vakliteratuur bijhouden enz. 

Aan welke prentenboeken werk je nu?

We werken nu aan de boeken die in de zomer van 2015 gaan verschijnen. Daar zitten ook titels tussen die in het thema van de kinderboekenweek passen, o.a. weer een heel leuk nieuw deel van Boer Boris. 

Boer Boris gaat naar zee is een uitgave van Gottmer
Prentenboek van het jaar 2015 “Boer Boris gaat naar zee”, Ted van Lieshout en Philip Hopman, is een uitgave van Gottmer.
Hoe beoordeel jij een prentenboek? Waar let je op?

Ik let ten eerste op het verhaal. Wat mij betreft is een goed verhaal de basis van een prentenboek. Dat verhaal moet een spanningsboog hebben die mooi rond is, goed geschreven zijn, geen woord teveel hebben en humor bevatten. Uiteraard zijn de illustraties net zo belangrijk, maar een boek met prachtige illustraties en een slap verhaal gaat mij uiteindelijk vervelen, terwijl ik een boek met een steengoed verhaal en iets mindere illustraties vaker zal oppakken. Wij denken bij elke uitgeefbeslissing ook na of het een boek is wat een kind keer op keer voorgelezen zou willen krijgen.

Hoe gaat het uitgeven van een prentenboek in zijn werk?

Als we het verhaal voor de volle 100% zien zitten, benaderen we in overleg met de auteur een illustrator. Samen bepalen we het formaat en de verdere uitvoering. We stellen een planning op en vragen prijzen aan bij drukkers, lithografen en vormgevers. Dan sturen we de illustrator een gatenproef van de tekst, zodat die precies weet hoeveel ruimte er is voor de illustraties. Als de schetsen klaar zijn gaan we met auteur en illustrator om de tafel zitten om te zien of het de goede kant op gaat.

Wanneer de illustrator de originelen heeft ingeleverd worden ze gelithografeerd (dit gebeurt niet als de illustrator digitale beelden aanlevert) en bekijken we aan de hand van kleurproeven of de kleuren goed zijn gebleven. Dan gaat de vormgever ermee aan de slag. Elke proef gaat langs de bureauredactie, de auteur en de illustrator. Als het definitieve bestand naar de drukker is, vragen we hen om zo spoedig mogelijk vooruitexemplaren te sturen zodat onze vertegenwoordigers ermee op pad kunnen langs de boekhandel.

Tijdens dit hele proces hebben we regelmatig contact met de afdeling promotie en verkoop, zodat zij de winkels zo goed mogelijk van informatie kunnen voorzien. Het idee daarachter is natuurlijk dat die op basis van het materiaal dat we in een vroeg stadium laten zien en onze plannen voor de titel al zoveel mogelijk exemplaren bestellen.

Welke plek nemen prentenboeken in binnen het fonds kinder- en jeugdboeken van Gottmer?

De prentenboeken zijn verantwoordelijk voor zo’n 60% van de kinderboekenomzet. Dikkie Dik en de boeken van Eric Carle (o.a. Rupsje Nooitgenoeg) nemen sinds jaar en dag een belangrijke plaats in in ons fonds. Daar zijn de laatste jaren ook toppers zoals Aadje Piraatje, Gonnie & vriendjes, Ridder Florian, Het molletje, Mama kwijt, Pip en Posy  en Boer Boris bijgekomen.

Pip en Posy is ondergebracht bij Gottmer
De prentenboekserie Pip en Posy is ondergebracht bij Gottmer
 Wat waren jouw favorieten – op welke was je het meest trots?

Dat is een lastige vraag want ik sta voor 100% achter alle boeken die wij uitgeven. Thuis lees ik veel voor uit de boeken van Catharina Valckx, Bette Westera en Julia Donaldson. Die slaan bij mijn kinderen blijkbaar erg aan.

"Poten Omhoog", Catharina Valckx, 2010, Gottmer
“Poten Omhoog”, Catharina Valckx, 2010, Gottmer
Hoeveel prentenboeken heeft Gottmer in 2014 uitgegeven?

Iets meer dan 50 nieuwe prentenboeken en daarnaast ook nog heruitgaven die we soms in een ander jasje staken.

Hoeveel waren daarvan van Nederlandse auteurs en/of illustratoren?

Ongeveer 30%.

Hoeveel manuscripten van prentenboeken komen er per jaar ongeveer binnen bij Gottmer? Belanden deze allemaal op jouw bureau?

Rond de 250 manuscripten. De eerste selectie wordt gedaan door onze uitgeefassistent.

Het is erg lastig om als beginnende auteur of illustrator uitgegeven te worden. Heb jij nog tips?

Het is moeilijker om een goede prentenboektekst te schrijven dan veel mensen denken. Veel lezen, cursussen volgen en niet altijd langs de geijkte paden denken kan helpen.

Welke ontwikkelingen zie jij de komende jaren op het gebied van kinderboeken en prentenboeken?

Hoewel de boeken voor volwassenen het zwaar te verduren hebben door alle digitale ontwikkelingen, geloof ik dat het papieren prentenboek voorlopig wel zal blijven. Het moet dan wel een boek zijn dat het waard is om in je handen te houden. We hechten dan ook veel waarde aan een mooie vormgeving en papier van hoge kwaliteit dat past bij de illustraties. Desalniettemin hebben wij de afgelopen jaren ook al redelijk wat geïnvesteerd in manieren om prentenboeken digitaal aan te bieden, als apps of als e-books. Op die manier kunnen we experimenteren en blijven we alert op de ontwikkelingen in de markt.