Interview Bette Westera

Bette WesteraGefeliciteerd met de zilveren griffel in de categorie tot 6 jaar voor “Held op sokken”. Hoe ben je op het idee gekomen en hoe verliep de samenwerking met Thé Tjong-Khing?

Dank je wel, ik ben er erg blij mee! Ik kreeg het idee voor “Held op sokken” toen eind 2010 het thema voor de Kinderboekenweek van 2011 bekend gemaakt werd: “helden”. Het verhaal kwam eigenlijk vanzelf. Ik wist meteen dat het niet over een echte held moest gaan, maar over een anti-held. Een naamloze ridder die het vuile werk doet terwijl zijn stoere kasteelgenoten jonkvrouwen imponeren door het doden van gevaarlijke draken. Tot blijkt dat de held op sokken iets kan wat een jonkvrouw pas echt weet te waarderen. De uitdrukking ‘held op sokken’ spreekt tot de verbeelding, zeker als je die letterlijk neemt. Het idee dat de held ook letterlijk ‘gehakt maakt’ van gedode draken heb ik niet van te voren bedacht. Dat diende zich al schrijvende aan.

Toen het verhaal een paar weken later af was, stuurde ik het naar Marieke Spaans van Gottmer. Zij was meteen enthousiast en ging op zoek naar een illustrator. Thé Tjong-Khing wilde het graag doen, maar was nog met andere dingen bezig. Hetzelfde gold voor een aantal andere illustratoren. We moesten ons erbij neerleggen dat het niet zou lukken. In elk geval niet voor de Kinderboekenweek. Meer dan een jaar later kreeg ik een berichtje van Marieke: Khing had naar de tekst gevraagd, hij had nu tijd. Of hij ermee aan de slag kon gaan?

We hebben niet met elkaar overlegd. Mijn samenwerking met een illustrator bestaat eruit hem of haar vrij te laten in de manier waarop hij of zij mijn verhaal wilde verbeelden. Ik geef bijna nooit aanwijzingen. Ik ben schrijver, geen tekenaar. Een goede illustrator kan het verhaal altijd beter verbeelden dan ik als schrijver zou kunnen bedenken.

Kun je een tipje van de sluier oplichten van je nieuwe prentenboek “Kietel nooit een krokodil”(ook met Thé Tjong-Khing)?

Ik was verguld met de tekeningen van Khing in “Held op sokken”. Het boek werd ook nog eens heel goed ontvangen. Ik las het voor op scholen, van groep 1 tot groep 6. Een ridder die drakenvlees door de gehaktmolen draait – een geweldige vondst van Khing – en vervolgens het bloed van de vloer dweilt, daar ben je als kind niet gauw te groot voor.
In “Kietel nooit een krokodil” maakt de lezer kennis met een op sterven liggende rover en zijn drie opgroeiende kinderen.

Omslag "Kietel nooit een krokodil",
Omslag “Kietel nooit een krokodil”, illustraties Thé Tjong-Khing; Uitgeverij Gottmer, 2014

Op een volle-maandag sprak hij: ‘Jongens, luister even.
Ik ga het land der levenden verlaten binnenkort.
Gedraag je als een Rimpelbaard: Ga rovend door het leven.
Zorg ervoor dat een van jullie roverhoofdman wordt.
Draai poten uit, neem prinsen bij de neus, doe wat je wil.
Beroof de koningin, maar kietel nooit een krokodil.

Waarom niet? Vragen de roverskinderen zich af. Zo gevaarlijk kan dat toch niet zijn? Wie goed op de illustraties let, weet wel beter. Het scheelt dan ook niet veel of het loopt slecht af met de roverszonen, die de waarschuwing van hun vader in de wind slaan. Gelukkig hebben ze nog een heel gehoorzaam zusje…

Veel van jouw boeken zijn op rijm. Wat trekt jou zo aan om een verhaal in rijmvorm te vertellen?

In het juryrapport van de Griffeljury staat: ‘Held op sokken is een humoristisch verhaal over een zegevierende anti-held, waarin de taal zingt dankzij rijm en ritme. (…) Wat is het een feest om dit boek voor te lezen!’  Ik vind dat een groot compliment. Prentenboeken moeten lekker voorlezen, anders leg je ze opzij. Rijm en ritme helpen daarbij.

Ik schrijf boeken voor een zo breed mogelijke doelgroep. Dankzij het rijm vinden ook peuters en jonge kleuters “Held op sokken” een heerlijk voorleesboek. Ze snappen misschien niet de hele verhaallijn en alle grapjes, maar dat geeft niet. Ze genieten van het metrum, van de cadans, van de klanken. Zo werken bakerrijmpjes ook. Je hoeft ze niet te snappen om ervan te genieten.

En tenslotte: Ik begin aan een prentenboek met een niet uitgewerkt idee. De verhaallijn, de climax, de afloop en heel veel details ontstaan al doende. Door mezelf te dwingen in een bepaald metrum en op rijm te schrijven kom ik op nieuwe ideeën. Sommige woorden kunnen niet, sommige zinnen passen niet. Dan moet ik gaan zoeken naar woorden en zinnen die wel passen. Daar komen soms heel verrassende dingen uit. Bijfiguren die anders niet opgedoken zouden zijn. Grappige details. Wendingen die ik anders niet bedacht zou hebben.

Waar let jij altijd goed op bij een rijm? Wat zijn de valkuilen?

De allergrootste valkuil bij het schrijven op rijm is dat de zinnen wel rijmen, maar ritmisch niet kloppen. Iets laten rijmen is niet zo moeilijk, een zin zo formuleren dat hij goed loopt en ook nog eens rijmt is veel lastiger. Het voorleesritme moet duidelijk zijn, de klanken moeten kloppen. Je moet het verhaal als minder taalgevoelige voorlezer niet fout kunnen voorlezen. En met fout bedoel ik: met de verkeerde tekstaccenten, waardoor het ritme doorbroken wordt.

Bij het woord rijm denk je meestal het eerst aan eindrijm. Maar ook gebruik van alliteratie en binnenrijm zijn heel belangrijk voor het mooi laten klinken van een tekst. Mijn advies aan beginnende prentenboekschrijvers: rijm niet, tenzij je er echt heel goed in bent.

Hoe ga jij te werk bij het schrijven van een prentenboek?

Een goed prentenboek begint bij de tekst, al zijn er ongetwijfeld uitzonderingen op de regel. Ik ben schrijver, dus ik schrijf mijn verhaal en pas als ik er helemaal tevreden over ben gaat dat, via de uitgever, naar de illustrator. De illustrator voegt met zijn of haar tekeningen iets toe aan mijn verhaal. De tekst kan niet zonder het beeld, het beeld niet zonder de tekst. Een prentenboek waarin tekst en beeld precies hetzelfde vertellen is geen goed prentenboek. Er moet spanning zijn tussen wat je ziet en wat je hoort of leest.
Ik ben de schrijver, ik bedenk het verhaal. Ik denk wel in beelden, maar niet in concrete, getekende beelden. Mijn eigen beelden laat ik los op het moment dat ik mijn verhaal aan een illustrator geef.

Toen Khing laatst aan mij vroeg of zijn tekeningen bij “Kietel nooit een krokodil” nu niet heel anders waren geworden dan wat ik me had voorgesteld, antwoordde ik zonder aarzelen: ja, heel anders. Hij keek me een beetje bezorgd aan en vroeg of ik dat dan niet erg vond. Nee, zei ik, helemaal niet, integendeel. Als tien vakkundige illustratoren illustraties maken bij hetzelfde verhaal doen ze dat tien keer anders en allemaal goed.

De eerste schetsen en teksten van "Miniheksen,
De eerste schetsen en teksten van “Miniheksen, 2011, illustraties Loes Riphagen; Uitgeverij de Fontein

Een prentenboektekst begint bij mij meestal bij het onderliggende thema. In “Held op sokken” is dat: je hoeft niet sterk en stoer te zijn om als een held door het leven te gaan. Vervolgens kies ik de enscenering: ridders in de middeleeuwen. En dan is het een kwestie van gewoon maar beginnen met schrijven. Het ene idee roept het andere op, het zoeken naar een mooi rijmwoord of een ritmisch juiste zin geeft het verhaal een onverwachte wending.

Ik lees elke zin, elke passage en uiteindelijk de hele tekst keer op keer hardop aan mezelf voor. Dan voel ik vanzelf of de tekst klopt of niet. Als het verhaal eenmaal staat, verander ik vaak nog heel veel details. Een zin die niet lekker loopt, een al te moeilijk woord, de interpunctie. Een prentenboektekst moet je behandelen als poëzie. Er staan maar drie of vier zinnen op een pagina. Die zinnen moeten dus precies vertellen wat jij daar wilt vertellen. Niet minder, maar vooral niet meer. Als tekst en illustraties zijn samengevoegd, kijk ik altijd nog uitgebreid naar de tekst. Meestal kan er dan nog het een en ander weg. Wat het beeld al laat zien, hoeft de tekst niet ook nog eens te vertellen.

Zit er voor jou verschil in de manier van werken als je een prentenboek schrijft ten opzichte van een boek voor oudere kinderen?

Het schrijven van een prentenboektekst lijkt op het schrijven van een gedicht: elk woord telt, elke komma, elke witregel, elke hoofdletter is van belang. Dat geldt voor langere teksten natuurlijk ook, maar wel op een andere manier. Al ik een prentenboektekst schrijf, ga ik al meteen fijnslijpen. Bij een langer verhaal ben ik in de eerste plaats aan het vertellen, het bijschaven en het verfijnen doe ik pas later, vaak de volgende dag. Dan lees ik wat ik de vorige dag heb geschreven en ben voor ik verder ga twee uur met dat stuk tekst bezig.

Een langer verhaal vraagt om een langere spanningsboog. Voor de lezer, maar ook voor mij. Het fijne van een langer verhaal vind ik dat ik me er helemaal in kan verliezen. Soms kan ik haast niet stoppen met schrijven, gewoon omdat ik zo graag wil weten hoe het verder gaat. Het verhaal ontstaat al doende, ik ‘bedenk’ het niet van te voren. Wat ik nodig heb om te kunnen beginnen is een hoofdpersoon die iets wil. Hoe hij gaat proberen zijn doel te bereiken en of dat lukt, weet ik niet van te voren. Ik laat me al schrijvend verrassen door wat er gebeurt.

In “Zeg maar tegen de juf dat ik wat later kom” (De Fontein 2008) wordt Sander door zijn ouders, die veel waarde hechten aan consequentie in de opvoeding, achtergelaten op een parkeerplaats in Frankrijk. Hij lift mee met een vrachtwagenchauffeur. Sander was al uren onderweg en ik wist nog steeds niet wat er nu eigenlijk in die vrachtwagen zat. Sander wist het ook niet en ik was zo langzamerhand heel nieuwsgierig. Ik liet mijn dochter lezen wat ik had geschreven en vroeg wat zij dacht dat er in de vrachtwagen zat. ‘Schapen’, zei ze. Dat klopte precies, en dat er schapen in de wagen zaten was bepalend voor de rest van het boek.

Je hebt veel beroemde prentenboeken mogen vertalen van o.a. Eric Carle, Dr. Seuss en Julia Donaldson. Wat is de kunst van het goed vertalen van een prentenboek?

De meeste prentenboeken die ik vertaal zijn verhalen op rijm. Dat is lastig, want wat in het Engels rijmt, rijmt maar zelden ook in het Nederlands. Ik kan niet letterlijk vertalen wat er staat, ik moet een vorm zoeken die recht doet aan de oorspronkelijke inhoud én het oorspronkelijke rijm. Veel inhoudelijke vrijheid heb ik niet, want de illustraties blijven hetzelfde. Als iemand daar een rood hoedje op heeft, kan ik dat hoedje niet zomaar groen of blauw maken omwille van het rijm. Ik kan het wel weglaten. Het hoedje verdwijnt, er komt iets anders voor in de plaats.

Belangrijk uitgangspunt bij vertalen is voor mij: doe het zo getrouw als mogelijk is en zo vrij als nodig is. Het is aan mij als vertaler om te bepalen waar de vertaling om vrijheid vraagt. De boeken van de Amerikaanse Dr. Seuss staan vol taalgrapjes, onzinwoorden en onnavolgbare woordspelingen. Rijm en ritme kloppen perfect. De door hem zelf getekende beelden zitten vol merkwaardige details die terugkomen in het verhaal. Bij de vertaling van de Dr. Seuss-boeken heb ik me inhoudelijk veel vrijheid gepermitteerd, omwille van rijm en ritme. Ik heb vertalingen gelezen die dichter bij de oorspronkelijke tekst blijven, ten koste van het tekstritme. Er staat in het Nederlands wat er in het Amerikaans ook staat, en toch voelt de Nederlandse versie niet meer als een echte Seuss. Je kunt Dr. Seuss alleen ‘naar de geest’ vertalen, niet ‘naar de letter’.

Heb je zelf een aantal favorieten prentenboeken? En illustratoren en schrijvers? En waarom zijn dit jouw favorieten?

Een van mijn favorieten is nog steeds “We gaan op berenjacht” van Michael Rosen en Helen Oxenbury. Dat is mooi vertaald, al moet ik zeggen dat ik de Engelse versie qua klank en ritme toch nog mooier vind. Luister naar Michael Rosen op youtube en je hoort misschien wat ik bedoel.

En verder: “Bang Mannetje” en “De kindereter” van Mathilde Stein en Mies van Hout, “Na-apers” en “Agent en Boef” van Tjibbe Veldkamp en Kees de Boer, “De man in de wolken” en “De vuurtoren” van Koos Meinderts en Annette Fienieg. En niet te vergeten de boeken over opa Pettson en zijn kat Findus, van de Zweeds schrijver-illustrator Sven Nordqvist. Waarom? Vanwege de combinatie van mooie onderliggende thema’s, de humor, de onverwachte wendingen, het niet-alledaagse en de ontroerende karakters.

Heb je tot slot nog (meer) tips voor beginnende schrijvers (van prentenboeken)?

Op mijn website  www.bettewestera.nl– onder schrijftips – staan heel veel tips voor beginnende schrijvers. Het is een site voor kinderen en de tips zijn voor hen bedoeld, maar zeker ook van toepassing voor volwassen beginners.

Biografie Bette Westera

Bette Westera (1958) is een succesvolle schrijfster van prentenboeken en kinderboeken. Veel van haar verhalen zijn op rijm geschreven en worden gekenmerkt door originele teksten voorzien van een dosis humor en ironie. Voor “Een opa om nooit te vergeten” (illustraties Harmen van Straaten; uitgeverij De Fontein) ontving zij in 2001 een Vlag en Wimpel en een Pluim van de Maand. In 2003 kreeg ze een Vlag en Wimpel voor “Alle hens aan dek” (illustraties Barbara de Wolf; Uitgeverij De Fontein) en in 2006 voor “Oma´s rommelkamer” (illustraties Barbara de Wolf; Uitgeverij De Fontein). In 2011 ontving ze een Zilveren Griffel voor “Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen” (illustraties Sylvia Weve; Uitgeverij Gottmer). In 2013 werd “Aan de kant, ik ben je oma niet” bekroond met een Vlag en Wimpel voor de tekst en een Gouden Penseel voor de illustraties van Sylvia Weve. In 2014 kreeg Bette een Zilveren Griffel voor “Held op sokken” (illustraties Thé Tjong-Khing; Uitgeverij Gottmer). Bette is ook de vertaalster van bekende prentenboeken van grootheden zoals Eric Carle, Dr. Seuss en Julia Donaldson.

Bette woont in Leiden en heeft drie volwassen kinderen. Haar man Diederik van Essel speelt gitaar en maakt muziek bij haar liedteksten. Bette en Diederik treden samen op met Bette’s liedjes en gedichten en met voorstellingen bij Bette’s boeken.
Kijk voor meer informatie over Bette en haar bijzondere familie op www.bettewestera.nl
En ga naar http://www.laatjesmetliedjes.nl/ om liedjes te beluisteren die Bette samen met haar man Diederik heeft gemaakt.

Prentenboek Bibliografie Bette Westera

Doodgewoon, 2014, illustraties Sylvia Weve; Uitgeverij Gottmer
Kietel nooit een krokodil,  2014, illustraties Thé Tjong-Khing; Uitgeverij Gottmer
Held op sokken, 2013, illustraties Thé Tjong-Khing; Uitgeverij Gottmer
Sint gaat op gym, 2013, illustraties Sylvia Weve; Uitgeverij Gottmer
Ik wil een walvis! , 2012, illustraties Loes Riphagen; Uitgeverij de Fontein
De vrolijke tweeling, 2012,  illustraties Linda de Haan; Uitgeverij Gottmer
Miniheksen, 2011,  illustraties Loes Riphagen; Uitgeverij de Fontein
De vuurvogel (met CD) , 2011, illustraties Annemarie van Haeringen; Uitgeverij Gottmer
Een opa om nooit te vergeten, 2010, illustraties Harmen van Straaten, Uitgeverij De Fontein
Kom je spelen, beer Baboen,  2008, illustraties Suzanne Diederen; Uitgeverij De Fontein
Lieve, stoute beer Baboen, 2007, illustraties Suzanne Diederen; Uitgeverij Hillen 
Schimmel is ziek,  2006, illustraties  Annemarie van Haeringen, Blue in green Publishing
Wil je met me trouwen?, 2006, illustraties Harmen van Straaten; Uitgeverij Gottmer
Suja, suja kindje, 2004, illustraties Yvonne Jagtenberg; Uitgeverij Hillen
Voor jou, 2003, illustraties Yvonne Jagtenberg; Uitgeverij Hillen
Ik vind jou lief, 2002, illustraties Yvonne Jagtenberg; Uitgeverij Hillen
Welterusten Beer Baboen, 2001, illustraties Suzanne Diederen; Uitgeverij Hillen
Boemba, 2001,  illustraties Mylo Freeman; Uitgeverij Hillen
Stoute schoenen, 2001, illustraties Anton Feddema; Uitgeverij Hillen
Zeven zachte knuffelberen, 2000, illustraties Sylvia Weve; Uitgeverij Hillen
Wat doet een heks?, 2000, illustraties Mark Janssen; Uitgeverij Hillen
Bij mij onder de dekens, 1999, illustraties Sylvia Weve; Uitgeverij Gottmer

Pin It

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *